Onvrije wil

Neuroloog Guy Leschziner (King’s College, Londen) en moraalwetenschapster Farah Focquaert (UGent, Arteveldehogeschool) tonen elk vanuit hun discipline aan dat de vrije wil een illusie is. Leschziner besluit noodgedwongen dat we niet kunnen zonder vrije wil, ook al is alle denken en handelen bepaald door alles wat eraan voorafging. Focquaert sluit zich daar weifelend bij aan, maar omdat ze schuld en schuldgevoelens wil voorkomen, probeert ze onze volgens haar alleen op het verleden gerichte vrije-wil-moraal te vervangen door een alleen op de toekomst afgestemde moraal. Beide auteurs spitsen de aandacht toe op onverdienstelijk gedrag.

 

Zeven hoofdzonden

Eerst even stilstaan bij de Zeven hoofdzonden, de titel van Leschziners boek. In de vierde eeuw wees Evagrius Ponticus, een ascetische Griekse monnik, zijn broeders op ‘acht kwade gedachten’ die hen kunnen afleiden van spirituele plichten, met name de gulzigheid, hebzucht, luiheid, droefheid, wellust, toorn, ijdelheid en hoogmoed. Eén van zijn leerlingen bracht dit over naar het westen. In de zesde eeuw schrapte Paus Gregorius de Grote ‘luiheid’ en ‘hoogmoed, voegde ‘afgunst’ toe en herdoopte Evagrius’ gedachten tot ‘hoofdzonden’, radicale dwalingen die ten grondslag liggen aan alle andere ondeugden en zonden. In de dertiende eeuw vond Thomas van Aquino droefheid overbodig en hij introduceerde opnieuw de luiheid. Zonden zijn tijdgebonden.

Volgens een legende werd Gregorius geïnspireerd door de Heilige Geest. Een diaken zou een duif bij het oor van de schrijvende paus gezien hebben.

Matthias Stom (eerste helft 17de eeuw) - St Gregory, kunstmuseum Bazel, publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=15885866

 

De zeven hoofdzonden zijn eigenlijk kapitale ondeugden. Een ondeugd is, anders dan een zonde, geen immorele gedachte, handeling of nalatigheid, maar een voortdurende aandrang om het slechte te doen, de natuurlijke neiging van mensen als ze het kwade niet afzweren. Tegengewicht voor de ondeugden zijn de minder vaak vermelde, eveneens aan Gregorius de Grote te danken zeven deugden, morele kwaliteiten die aangeleerd kunnen worden.

De hoofdondeugden en -deugden zijn: hoogmoed/nederigheid, hebzucht/gulheid, afgunst/naastenliefde, woede/zachtmoedigheid, onkuisheid/kuisheid, gulzigheid/matigheid en luiheid/ijver. Een doodzonde is geen hoofdondeugd, maar een overtreding van een van de veel oudere joodse tien geboden.

In de middeleeuwen (ca. 1307-1321)kregen de hoofdzonden grote bekendheid toen Dante Alighieri ze in de Divina Commedia (De goddelijke komedie) opnam als de in zeven niveaus verdeelde berg van het vagevuur. De hoofdzonden werden een geliefd thema in de kunst en raakten bekend bij een almaar groter publiek.

Hieronymus Bosch of een navolger (1500-1525), Museo del Prado, Madrid - publiek domein

 

In de eerste helft van de zestiende eeuw tekende Pieter Bruegel de Oude gedetailleerde voorstellingen van de veertien hoofdzonden en -deugden.

Wellust, een prent van door Pieter van der Heyden naar een tekening van Pieter Bruegel, 1558

Wellust, een prent van door Pieter van der Heyden naar een tekening van Pieter Bruegel, 1558, Amsterdam, Rijksmuseum
 

In 1904 publiceerde James Ensor Les sept péchés capitaux, een prentenalbum met door duivels, gedrochten en monsters belaagde zondaars.

James Ensor - De gulzigheid, Gent, Museum voor Schone Kunsten

 

Neurologie

Neuroloog Leschziner wil duidelijk maken waarom mensen niet deugen, de ondertitel van zijn boek (The Biology of Being Human in het origineel). De hele geschiedenis, alle mensen werden bepaald en geteisterd door de hoofdzonden.

Leschziner twijfelt er niet aan dat de emoties die eraan ten grondslag liggen genetisch bepaald zijn. Want ze waren en zijn ‘cruciaal om te overleven en succesvol te zijn’. Ze ‘staan in dienst van evolutionaire drijfveren die ons moeten redden’. Deze zondige eigenschappen zijn volgens de neuroloog ‘eerder een kwestie van biologie dan van ethiek en dat roept vragen op over verantwoordelijkheid, schuld en vrije wil’.

Elke hoofdzonde krijgt een hoofdstuk met daarin enkele aangrijpende tot verbijsterende gevalstudies. Zo het verhaal van een epilepticus die in een oncontroleerbare woede en vernielzucht ontsteekt zonder zich daarvan bewust te zijn. Deze door een of meerdere afwijkingen in de hersenen veroorzaakte woede is gelukkig zeer uitzonderlijk. Maar normale boosheid en woede horen bij het mens-zijn. Woede, schrijft Leschziner, ‘is een motivator, een drijfveer om te blijven streven naar het bereiken van een doel’. Bij elke zondige emotie wordt aangegeven welk hersendeel extra geactiveerd wordt.

Een deel van de frontaalkwab van onze hersenen, de zogenaamde grijze stof, is ‘nauw verbonden met hersendelen die betrokken zijn bij emoties, genot en het aansturen van primaire instincten’. Wordt deze ‘ventromediale prefontale cortex’ beschadigd, dan kan bepaald gedrag niet meer afgeremd worden. Een en ander wordt wellicht ook gestuurd door hormonen en genen. Gulzigheid of vraatzucht moet een afgeleide zijn van de in lang vervlogen tijden noodzakelijke hongerbehoefte. Die zit zozeer in onze genen verankerd dat ze ‘wijdverspreide obesitas in de menselijke populatie’ teweegbrengt. Alsof ‘ziekelijke’ zwaarlijvigheid ook in door hongersnood geteisterde gebieden voorkomt.

En zo gaat het boek verder met vallen en opstaan (‘waarschijnlijk’, ‘onduidelijk’, ‘zou kunnen’, ‘lijkt’, ‘misschien’, ‘moeilijk te ontrafelen’…). Best boeiend, zeker de gevalstudies, maar behoorlijk speculatief.

Als de oorsprong van onze karaktereigenschappen en persoonlijkheid zich in onze hersenen bevindt, onze beslissingen en gedrag bepalen, dan moet veel van wat ons determineert buiten onze macht liggen. We zijn niet meer dan passieve toeschouwers van onze daden. Maar wat dan met de vrije wil en morele verantwoordelijkheid?

In 1983 toonde de Amerikaanse neuropsycholoog Benjamin Libet in een beroemd experiment aan dat voorafgaand aan zogenaamd vrijwillige handelingen specifieke hersenactiviteiten waargenomen worden die het gedrag in gang zetten voordat de proefpersonen er zich bewust van zijn. Onze beslissingen worden dus bepaald ‘de circuits, de anatomie en de neurochemie van onze hersenen’.

In de voorbije decennia werd dit grondig onderzocht. Blijkt dat het verre van zeker is dat de waargenomen hersenactiviteiten werkelijk voorbereiden op de handeling. Ze kunnen ook ‘gewoon een manifestatie zijn van een hersentoestand die aanzet tot bewegen, zonder dat er een reden is om dat te doen’. Sommige onderzoekers en neurologen zijn ervan overtuigd dat zelfs als we de allerkleinste hersendeeltjes begrijpen, we nog steeds de psyché niet volledig zullen doorgronden.

 

Kat op de koord

Achterin zijn boek geeft Leschziner ruiterlijk toe dat zijn vertoog op wankele schroeven staat. Neurowetenschappers kijken namelijk naar patronen van de bloedstroom in de hersenen als indicatie voor hersenactiviteit. De verschillen in doorbloeding die bij bepaalde taken optreden, schrijven ze toe als de anatomische bakermat van specifieke functies of eigenschappen. De neurale activiteit wordt dus niet gemeten, alleen veranderingen in doorbloeding. Bovendien blijkt dat bepaalde onderzoeksresultaten niet herhaald kunnen worden. In de neurowetenschap wordt ook steeds vaker afgestapt van de gedachte dat afzonderlijke hersengebieden voor specifieke functies instaan, zoals het ‘gezichtsherkenningscentrum’, het ‘woordproductiecentrum’ en dergelijke meer. Het besef groeit ‘dat zulke functies voortkomen uit netwerken van hersengebieden en de onderlinge verbindingen daartussen. Onze cognitie, emoties en gedragspatronen – alle facetten van wie we zijn – zijn niet afhankelijk van individuele klompjes neuronen, maar krijgen vorm via een ingewikkelde dans tussen al deze hersengebieden die in samenhang functioneren’.

Dat bij beschadiging van een specifiek hersengebied functie- of karakterverandering optreedt, toont natuurlijk aan dat dit specifieke gebied van fundamenteel belang is voor die functie. Maar dat betekent alleen dat het een ‘intrinsiek onderdeel is van de neurologische machinerie die deze functie voortbrengt’.

 

Op losse schroeven

Nogal wat neurowetenschappers en filosofen zijn ervan overtuigd dat de vrije wil een fictie is. Socrates was er blijkbaar al van overtuigd dat onze keuzes onvermijdelijke beslissingen zijn. Dan kan er geen sprake van morele verantwoordelijkheid, schuld en verdienste.

Velen zijn en blijven er nochtans stellig van overtuigd dat de vrije wil wel degelijk bestaat. Anderen menen dat vrije wil en bepaaldheid (determinisme) elkaar niet uitsluiten. Compatibilisten (‘compatibel’, met elkaar verenigbaar) stellen dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun daden, zolang die ingegeven zijn door eigen wensen en intenties.

Leschziner denkt dat ‘ons vermogen om te beslissen, om morele daden te stellen misschien niet helemaal van onszelf is’. Maar als individu, op persoonlijk vlak, voelt hij zich ongemakkelijk bij het idee dat al zijn daden bepaald worden door factoren waarop hij zicht noch vat heeft. Zelfs overtuigingen die tot de kern van onze persoonlijkheid behoren. Dus, besluit hij, kunnen we niet zonder vrije wil.

Zeven hoofdzonden

 

Moraalwetenschap

Farah Focquaert is ‘opgegroeid in een katholiek nest, doordrenkt van een strenge Kantiaanse plichtenmoraal’, met ‘wraak, vergelding en boetedoening’ als vaste ingrediënten. Alomtegenwoordig oordelen en veroordelen: ‘wie werkloos is, is lui’, ‘depressieve mensen willen zich slecht voelen en zijn zelf verantwoordelijk voor hun lijden’. Geen wonder dus, schrijft ze, dat ze ‘moraalwetenschap is gaan studeren’.

Schuldtoeschrijving en schuldgevoelens staan bij haar centraal. In haar boek heeft ze het veel vaker over schuld dan over verdienste. Ze herdefinieert ‘morele verdienste’ zelfs zodanig dat ze goede én slechte daden dekt.

Focquaerts vertoog is duidelijk een reactie op de (westerse) schuldmoraal waarin ze is opgegroeid. Een beter leven moet mogelijk zijn. Als we de ‘vrije wil’ loslaten kunnen we zonder (zelf)schuld.

De vrije wil is het fundament van onze westerse moraal. Een maatschappij kan niet zonder waarden en normen (om die waarden te realiseren en te behouden). Helaas worden die niet zelden buitensporig toegepast op afwijkend en crimineel gedrag. Het hedendaagse gevangeniswezen, stelt Focquaert in enkele verdienstelijke bladzijden, moet op de schop.

Maar ook zij weifelt of de vrije wil zomaar kan worden afgeschaft. Hoe dan met elkaar omgegaan? Hoe kinderen opgevoed? Hoe heropvoeden? Kan dat zonder noties als ‘goed’ en ‘kwaad’ en hun vele gradaties? Neen, geeft Focquaert node toe. Maar misschien, gaat ze verder, kan de vrije wil-illusie vervangen worden door een andere illusie die een moraal zonder schuldgevoelens mogelijk maakt. De huidige, volgens haar volledig op het verleden gerichte moraal vervangen door een (alleen?) op de toekomst gerichte moraal. Gedaan met verwijten en prijzen!

 

Onverwijtbaarheid

De ene fictie - de vrije wil – wordt ingeruild voor een andere: toekomstgerichte verantwoordelijkheid. Dit ‘verantwoordelijkheidsfictionalisme’ zou mensen alleen aansprakelijk houden op basis van toekomstgerichte redenen. Veel duidelijker wordt het niet. Behalve dan in de volgende magnifieke, maar helaas vrij utopische voorstelling: de maatschappij beschermen, noden van slachtoffers erkennen en respecteren, herstel van slachtoffers of overlevers (sic), rehabilitatie en herstel van daders, reparatie voor schade, vermindering van de ‘systemische ongelijkheid’ in de samenleving, herstel van de samenleving. Niet langer aan misdadigers leed toevoegen omwille van het leed (is dat gebruikelijk?), niet langer bestraffen of belonen ‘vanuit een individueel perspectief. (…) Finaal is alles [toch] gevormd door geluk of tegenslag’.

Vrees niets, we kunnen ‘ongewenst gedrag gewoon blijven benoemen zoals het is: mensonwaardig, laf, egoïstisch, kil, schrijnend, ondraaglijk, ontoelaatbaar, zorgwekkend, afgrijselijk, wreedaardig, gruwelijk’. Geen ‘emotionele neutraliteit, maar een ethiek die begrijpt dat mensen handelen binnen grenzen die ze zelf niet gekozen hebben’. Je mag problematisch gedrag zien, ‘maar niet verwijten’.

Of dit werkbaar is, weet ook Focquaert niet. De afschaffing van de vrije wil zou wel eens negatieve gevolgen kunnen hebben voor de morele ontwikkeling en het gedrag van mensen, maar dat weegt volgens haar niet op tegen de schuldmoraal en het (hedendaagse) strafrecht. Veel maakt het eigenlijk niet uit, de hele vrije wil discussie is immers louter filosofisch.

 

Teleurstellend

Qua stijl valt het boek tussen twee stoelen. Focquaert wou, schrijft ze, een toegankelijk boek maken maar behalve het eerste hoofdstuk doet het veeleer academisch aan. De vele Engelse citaten werden niet vertaald. Moeilijke begrippen worden als bekend verondersteld (compatibilist, amygdala, orbitofrontale cortex, hippocampus, intersectionaliteit, consciëntieusheid…). ‘Psychisch’ wordt vrijwel overal ‘psychologisch’, terwijl ‘fysiek’ en ‘sociaal’ gelukkig niet omgedoopt worden tot ‘fysiologisch’ en ‘sociologisch’. Nogal wat beweringen worden afgezwakt door omschrijvingen van modaliteit (soms, misschien, kan, vermoedelijk, nagenoeg). Naast veel onnodige herhalingen poneert Focquaert tamelijk wat zonder enig bewijs. Bijvoorbeeld dat ‘ons genetisch profiel belangrijker is dan onze omgeving voor het verklaren van menselijk gedrag’. Of dat de ‘psychologische voorwaarden voor geweld in gevoelens van minderwaardigheid en schaamte’ liggen; dat ‘de meerderheid van daders zelf ooit slachtoffer is geweest van vreselijke feiten’. De auteur gebruikt de deels autobiografisch roman Shuggie Bain van Douglas Stuart meer dan eens om de lezer te overtuigen van het niet bestaan van de vrije wil (bij verslaving). Sommige mensen zouden ‘een genetische kwetsbaarheid hebben voor verslaving’, ook roken zit in de genen. In de tekst verwijst ze zo goed als niet naar haar uitgebreide bibliografie. Wie iets wil nakijken, moet die napluizen in de hoop iets te vinden.

 

Endlösung

Ronduit ergerlijk is wat Focquaert over de zogenaamde Holocaust schrijft. Holocaust (‘brandoffer voor god’) is een slachtofferbegrip. De daderterm Endlösung der Judenfrage (definitieve oplossing van de jodenkwestie) is correcter en verwijst impliciet naar het feit dat er lang voor de nazi’s in veel landen sprake was van antisemitisme en een jodenvraagstuk.

Volgens Focquaert is het ‘soms in meer extreme situaties dat we de mens werkelijk leren kennen’ (mijn cursivering). Onjuist, in extreme situaties wordt menselijk gedrag juist extreem bepaald door de extreme situatie. De auteur vraagt zich af hoe het mogelijk is ‘dat zoveel ‘doodgewone’ mannen in staat waren tot de meest gruwelijke daden’. De kans is groot, vervolgt ze, dat wij hetzelfde zouden doen in dergelijke situatie en dat, besluit ze, kun je nalezen in De duivel in elk van ons van Christophe Busch. Punt.

Verderop keert Focquaert terug op de ‘doodgewone mannen’ van Reserve Politiebataljon 101, het geruchtmakend boek van historicus Christopher Browning (Ordinary men, 1992). Ze vermeldt niet dat de honderden gewone politiemannen voor ze aan antisemitische moordpartijen deelnamen de kans kregen om uit de rangen te stappen. Groepsdruk, gehoorzaamheid en ‘omstandigheden’ zorgden ervoor dat de politielui de gruweldaden pleegden. Onvermeld blijft dat Browning onderstreepte dat er niet de minste twijfel over bestaat dat de meeste daders hun slachtoffers niet als medemensen zagen, in hun ogen geen deel uitmaakten van de sfeer van menselijke verantwoordelijkheid en verplichting. Ook niet onbelangrijk is dat een zeer kleine minderheid, een tiental politiemannen wel uit de rangen stapte. Vanuit Focquaerts toekomstgerichte verantwoordelijkheidsmoraal moeten die ‘dienstweigeraars’ interessant studiemateriaal zijn. De daders zagen, schrijft ze, zichzelf niet meer als moreel handelende individuen. Ze deden gewoon hun werk en… Befehl ist Befehl. Dat waren dixit Focquaert geen holle excuses, maar diepgewortelde overtuigingen binnen autoritaire structuren. Hiermee verkeert ze in goed gezelschap, ook Hannah Arendt liet zich inpakken door dit achteraf excuus van Adolf Eichmann, een fanatieke nationaalsocialist.

 

Er staan behartenswaardige zaken in het boek, zij het niet altijd in direct verband met haar onderwerp. Verdienstelijk, al kan men dit begrip volgens de auteur niet langer eenduidig gebruiken.

Focquaert is er stellig van overtuigd dat het vrije wil-scepticisme ‘een beter leven met zich meebrengt of op zijn minst de kans erop vergroot’. ‘Er valt’, weifelt ze, zeker iets voor te zeggen’. Ze toont het in elk geval niet aan.

Terecht vreest ze dat ‘er weinig zal verbeteren zonder een breed gedragen verandering in visie op alle niveaus van de samenleving’. Die kan er ook volgens haar ‘alleen komen als onze politici hun verantwoordelijkheid nemen’.

Focquaert besluit dat we de illusie van vrije wil misschien niet en misschien wel nodig hebben. ‘Misschien is fictionalisme over verantwoordelijkheid in een wereld zonder verwijten meer dan voldoende’.

Dat gedachten, handelingen en daden gedetermineerd zijn, doet er volgens mij niet toe. Wie deel uitmaakt van een gemeenschap en erbij wil horen, zal zich moeten houden aan de in die samenleving geldende determinanten, afspraken en regels. Met als Gulden Regel ‘behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden’.

Leschziner, Guy – Zeven hoofdzonden. Waarom mensen niet deugen, Amsterdam, Nieuwezijds, 2024, 349 blz.

Prof. Focquaert, Farah – Beter leven zonder vrije wil. Een filosofie van loslaten: voor een leven zonder (zelf)schuld, Gent, Borgerhoff & Lamberigts, 2025, 231 blz

Op 21.12.25 gepubliceerd op het Salon van Sisyphus en Streven op 31.1.26