Getuigen
| Een case-study over egodocumenten
I. V E R A N T W O O R D I N G
1. B E N A D E R I N G S W I J Z E E N I
N H O U D
a. Voorgeschiedenis: een prosopografische bibliografie
Deze bibliografie van ooggetuigenverslagen werd op touw gezet als een prosopografie,
een studie over de groep 'Belgen' die getuigd hebben over hun
gevangenschap in de nazi-kampen en -gevangenissen in relatie tot
de kenmerken van hun getuigenissen. Dit opzet sloot aan bij een
project op langere termijn, het ontwerpen van een methodologie
voor egodocumenten. Aan de basis van dit ontwerp liggen inzichten
die gepuurd werden uit de analyse van de grootste verzameling
egodocumenten over één historisch fenomeen, met name het concentrationaire
universum: de wereld van nationaal-socialistische gevangenissen,
kampen en kommando's. Bij dit onderzoek worden kenmerken van egodocumenten
gekoppeld aan enerzijds karakteristieken van kampsituaties en
-gebeurtenissen en, anderzijds, persoongebonden pre- en postconcentrationaire
eigenschappen van de getuige; de vele determinanten en invloeden
die hem en zijn getuigenisgedrag benvloed hebben.
[1]
In deze benadering worden dus persoonlijkheidskenmerken,
sociaal-economische en tijdgebonden determinanten gekoppeld aan
de wijze waarop een extreme situatie ervaren en verwerkt wordt,
én aan de wijze waarop daarover wordt getuigd.
De bibliografie die ik voor ogen had moest meer worden dan een alfabetische
naamlijst, op zich natuurlijk al een nuttig werkinstrument. Ze
zou tevens historische en sociologische bron zijn, haar eigen
interpretatie bij wijze van spreken. Door de getuigen te ordenen
volgens sociodemografische kenmerken (leeftijd, beroep, burgerlijke
stand...), interneringskenmerken (reden, moment, plaats, duur
van de opsluiting) en eigenschappen van hun egodocument (getuigenismoment,
vorm en inhoud...) wou ik een objectiverende sociaal-historische
doorsnee maken van de 'Belgische' egodocumenten en hun auteurs.
Ik zocht antwoorden op vragen als: wat bepaalt óf iemand getuigt,
wanneer, hoe en waarover hij getuigt? Wie nam waarom de pen op:
leeftijd, sociaal-economische groep, kampervaring... en zijn er
hier relevante correlaties? Welke invloed hebben persoonlijkheid
en specifieke ervaring? Benvloeden ze elkaar en zo ja, hoe? Welk
is hun weerslag op waarneming, interpretatie en verwerking van
de extreme situatie? Zijn er betekenisvolle verschillen wat betreft
waarneming, interpretatie en verwerking, volgens bijvoorbeeld
leeftijd, geslacht, sociale klasse van de getuige? Of anders geformuleerd,
kunnen deze subjectieve factoren ondergebracht worden in meer
objectieve categorieën? Welke zijn, met nog andere woorden, de
sociale, psychische en tijdgebonden grenzen van de uniciteit van
het individu?
Met dit doel voor ogen werden de sociodemografische kenmerken van de getuigen
op het moment van hun arrestatie opgespoord. Er werd een zo nauwkeurig
mogelijk curriculum carceris
opgesteld (data van aankomst en vertrek in gevangenissen, kampen
en kommando's) en de egodocumenten werden doorgelicht aan de hand
van een speciaal daartoe ontworpen analyserooster. Daar hadden
idealiter nog biografische gegevens over de auteurs op het moment
dat ze getuigden moeten bijkomen, maar tijd en middelen ontbraken
om dit te verwezenlijken.
Deze combinatie van gegevens laat verificatie toe van belangwekkende hypothesen
en inzichten. Door bijvoorbeeld getuigenis- of publikatiemoment
te koppelen aan de geboortedatum van de getuige, kan worden nagegaan
of het getuigen voor een deel samenhangt met pensioengerechtigde
leeftijd: meer tijd om te herinneren, te verwerken en te schrijven.
Er kan worden nagegaan of er verbanden zijn tussen interneringsmoment,
getuigenismoment, vorm en inhoud van het egodocument. Zijn, zoals
op grond van de overlevingskansen mag worden verwacht, de meeste
getuigenissen afkomstig van relatief laat geïnterneerden en, hoe
beïnvloedt dit het geschetste kampbeeld? De hypothesen over verbanden
tussen getuigenisinhoud en interneringsduur die ik heb geformuleerd
in Met de dood voor ogen, kunnen meer systematisch
getoetst worden. Ook de relatie tussen enerzijds de gevangenissen
en kampen waar iemand gezeten heeft en, anderzijds, die waarover
hij getuigt, had interessante inzichten kunnen opleveren. Waarom
getuigt iemand die in Breendonk én Buchenwald gezeten heeft, uitvoeriger
of uitsluitend over een van beide kampen? Zijn getuigenissen over
bepaalde oorden vooral afkomstig van mensen die alleen dáár hebben
gezeten? Welke weerslag heeft opsluiting in andere (of in bepaalde)
gevangenissen en kampen op de weergave van eerdere gevangeniservaringen?
De geschetste problematiek kan nog anders geformuleerd worden. De KZ-realiteit
waarover getuigen berichten kennen we, vijftig jaar na de gebeurtenissen,
tot op bepaalde hoogte ook uit andere, minder subjectieve bronnen
en uit historisch onderzoek. Daardoor wordt het mogelijk om, steeds
met het nodige respect en omzichtigheid, vervormingen van waarneming
en interpretatie door ooggetuigen systematisch te traceren, om
ze te verklaren door middel van de opgespoorde persoons- en tijdgebonden
factoren.
[2]
Dit onderzoek dient een dubbel doel, een wetenschappelijk
en een politiek-ideologisch. De wijze waarop en de mate waarin
verslaggeving door ooggetuigen afwijkt van een minder subjectieve
voorstelling van de realiteit, levert inzichten op over waarneming,
interpretatie, getuigenis en hun evolutie. En, ten tweede, door
afwijkingen in ooggetuigenverslagen systematisch te verklaren
(hun bepaaldheid door persoon en tijd) wordt het gras weggemaaid
van voor de voeten van diegenen die de ernst of de werkelijkheid
van deze gruwel in twijfel proberen te trekken door uitbuiting
van de feilbaarheid van zintuigen, geheugen en bewustzijn.
Uit dit alles volgt dat in deze methodologie egodocumenten meer sociologisch
en psychologisch, dan historiografisch worden benaderd. Ze worden
gezien als in eerste instantie sociale en psychische bronnen,
pas daarna als historische. Egodocumenten over de kampen bevatten
ongetwijfeld waardevol geschiedkundig materiaal, sommige feiten
en gegevens vindt men in geen andere bronnen. Ze bevatten bijvoorbeeld
een overvloed aan informatie over de wijze waarop mensen in dergelijke
extreme situaties leven, sterven en overleven. Als laatste maar
niet als minste, bevatten ze ook nog een schat aan inlichtingen
over de behandeling van KZ-gevangenen,
[3]
het gedrag van bewakers en kampleiding, alsook
over het onderling gedrag van gevangenen. Daartegenover staat
dat door de extremiteit van de situatie de voorwaarden van meer
objectieve waarneming en interpretatie tot een minimum worden
herleid. De subjectiviteit neemt nog toe ten gevolge van het gebrek
aan geografisch, evolutionair en geschiedkundig overzicht bij
de meeste gevangenen die geïsoleerd waren in tijd en ruimte (kampen
en kampgebruiken veranderden doorheen de tijd). Hierdoor komt
de klemtoon meer op ego dan op document te liggen.
Egodocumenten zijn documenten vanuit en over het ego. Bij egodocumenten
over de kampen lijkt dit op het eerste gezicht minder uitgesproken
het geval te zijn. De meeste getuigen zijn politiek of juridisch
gemotiveerd en proberen daarom zoveel mogelijk de subjectiviteit
uit te schakelen. Van bij het begin van hun egodocument drukken
velen de lezer op het hart dat zij álles zelf beleefd hebben,
met eigen ogen hebben gezien. Dat lijdt geen twijfel, maar precies
dat feit, dát het om ervaringsgebonden, individuele waarnemingen
gaat, is behalve de rijkdom ook de beperking van dit soort bronnen.
[4]
Egodocumenten zijn ervaringsberichten (cf.
het Duitse Erlebnisbericht), individuele en bijgevolg gedeeltelijke interpretaties van gebeurtenissen.
Is het dan nodig om, wil men de kamprealiteit enigszins accuraat vatten,
álle egodocumenten te bestuderen? Voor een onderzoeker alleen
is dat in elk geval onbegonnen werk. De internationale
bibliografie van egodocumenten over de kampen waaraan ik samen
met mijn vrouw al jaren werk, telt reeds acht tot tienduizend
eenheden. Het opsporen, verwerken en interpreteren van alle achtergronden
van deze getuigen is haalbaar noch nodig. Het soort geschiedschrijving
dat Tolstoi in Oorlog en vrede propageerde, de nauwgezette wedersamenstelling van
alle gebeurtenissen door het optekenen van álle gedetailleerde
verhalen van álle participanten aan bijvoorbeeld een veldslag,
omdat in Tolstoi's visie de som van hun ontelbare en verbrokkelde
daden de gebeurtenissen uiteindelijk hebben veroorzaakt; dit soort
reconstructie zou weinig meer opleveren dan een uitzichtloze puzzel,
een chaotische mozaïek van ervaringen, waarnemingen en interpretaties.
[5]
Deze atomisering kan slechts vermeden worden
door een bepaalde mate van inductie, door gebruikmaking van een
meer algemeen en dus fataal veralgemenend interpretatiekader.
Geschiedkundige gebeurtenissen kunnen maar begrepen en geïnterpreteerd
worden door er wetmatigheden in te onderscheiden, door structurering
en classificatie. De betrouwbaarheidsgraad van die interpretaties
wordt bepaald door de mate waarin de gehanteerde vooronderstellingen
falsificeerbaar zijn.
Het ego van het individu, het sociaal-psychisch pendant van de genetische
uniciteit (de etymologische betekenis van individu is onverdeelbaar), komt natuurlijk niet uit
de lucht vallen. Individuen leren
waarnemen, interpreteren en ervaren en ze doen dat in een sociale
en tijdgebonden context. Individuele wijzen van waarneming, interpretatie
en ervaring zijn voor een deel even uniek als individuele genen,
maar voor het grootste deel zijn ze toch het produkt van maatschappelijke
en temporele invloeden.
[6]
De geschiedkundige waarde van egodocumenten over de kampen schuilt deels
in de gerapporteerde feiten en gebeurtenissen, maar zeker ook
in de mogelijkheid kennis te verwerven over de verschillende patronen
volgens dewelke individuen en groepen gebeurtenissen waarnemen,
interpreteren, ervaren en beïnvloeden. Getuigen maken de geschiedenis
mee, in de twee mogelijke betekenissen van het woord: ondervinden
en construeren. Egodocumenten bevinden zich in het schemergebied
waar menswetenschappen samenkomen en met elkaar versmelten. De
dunne scheidingslijn tussen geschiedenis, sociologie en psychologie
is er vager dan ooit.
Egodocumenten over de kampen worden zowel bepaald door factoren eigen aan
de gevangenschap als door factoren die eraan voorafgingen, eruit
voortkomen en erop volgen. Om egodocumenten accuraat te kunnen
beoordelen (ook wat betreft het erin vervatte historisch materiaal)
moet met deze determinanten rekening gehouden worden. Wie dat
niet doet loopt gevaar bepaalde gegevens fout te interpreteren.
Holocaustontkenners doen dat voortdurend en meestal moedwillig.
Ze doen alsof er een ondubbelzinnige en absolute overeenkomst
moet bestaan tussen gebeurtenissen, waarneming en verslaggeving.
Alsof dat zou kunnen! Ze weigeren rekening te houden met beperkingen
en vertekeningen eigen aan álle menselijke observatie en interpretatie,
a fortiori dus bij geterroriseerde en uitgeputte mensen.
De hierboven uiteengezette doelstelling kon, zoals gezegd, niet volledig
gerealiseerd worden. Om mijn ambitieus en veeleisend project te
verwezenlijken moesten alle gegevens ingevoerd worden in een speciaal
computerprogramma dat hun verwerking mogelijk maakte. Patrick
Temmerman, mijn collega, bood spontaan aan zo'n programma te schrijven
en we gingen aan de slag. Op basis van het theoretisch construct
uiteengezet in Met de dood
voor ogen, bijgeschaafd door literatuur en denkwerk, ontwierp
ik een analyserooster. In de gegeven werkomstandigheden bleek
al gauw dat de omzetting van dit rooster in programmataal niet
haalbaar was. Ik moest inbinden, nastreven wat wel haalbaar leek:
een beperkt bibliografisch deel gekoppeld aan een beperkt biografisch
luik. Maar ook dit bleek uiteindelijk te hoog gegrepen. Patrick
Temmerman moest het programmeerwerk grotendeels in zijn vrije
tijd doen en ik moest veel meer tijd besteden aan het uittesten
van het programma ('debuggen') dan ik aankon. Mijn opsporings-
en denkwerk (het samenstellen en beredeneren van het corpus egodocumenten)
kwam erdoor in de verdrukking. Een en ander kwam bovendien in
botsing met projecten van het NCWO-II waar we allebei werken.
In de gegeven situatie, met een beperkt kapitaal aan arbeidskracht
en tijd, zat er niets anders op dan verder af te bouwen. Uiteindelijk
werd het biografische gedeelte van de bibliografie - naar mijn
gevoel het meest oorspronkelijke en originele, maar wel het moeilijkst
te programmeren deel - opgeofferd, met uitzondering van enkele
elementen die ik er later toch aan toevoegde (geslacht, jood en
niet-jood...). Het computerprogramma, een D-base
toepassing, kreeg de toepasselijke naam EGODOC.
Een aantal kenmerken van deze bibliografie zijn het resultaat van haar
oorspronkelijke doelstelling. Een doelstelling die dus niet volledig
werd verwezenlijkt, maar zonder haar zouden bepaalde waardevolle
gegevens die nu in de bibliografie staan nooit zijn opgezocht,
laat staan verwerkt.
b. Afbakening van het corpus
De selectiecriteria groeiden samen met de verzameling, met de zinvolheid
en uitvoerbaarheid van een systematische analyse van vormen, inhouden
en kenmerken van egodocumenten. De criteria werden gaandeweg steeds
verder beredeneerd, toegespitst en afgebakend.
Het onderwerp van deze bibliografie
wordt aangegeven door de lange ondertitel: egodocumenten
over nationaal-socialistische kampen en gevangenissen, geschreven
of getekend door 'Belgische' (ex-)gevangenen: Belgen, personen
die in België gedomicilieerd waren of verbleven, en andere uit
België gedeporteerde personen. Hieruit moge al blijken dat
een zo nauwkeurig mogelijke afbakening van het relevante domein
geen sinecure was. De daarbij gevolgde gedachtengang wordt hieronder
summier uiteengezet aan de hand van de specificaties uit de ondertitel.
i. Egodocumenten van (ex-)gevangenen
Het gaat om egodocumenten. Strikt
genomen zijn dat getuigenissen noch ooggetuigenverslagen. Een
ooggetuigenverslag is een relaas van 'iemand
die het gebeurde met eigen ogen ziet of gezien heeft' (van Dale),
doorgaans een enigszins afstandelijke toeschouwer. Getuigenis is een meer juridische, soms een wat plechtstatige of religieuze
term, die de notie bewijs
behelst. Een getuige is 'iemand die tegenwoordig is bij een handeling
om later te kunnen bevestigen dat deze heeft plaatsgehad' (van
Dale). Ook bij veel egodocumenten over de nazi-kampen was en is
bewijslevering het al dan niet bewuste getuigenismotief, maar
anders dan bij de meeste juridische getuigenissen komt de impuls
te getuigen meer uit het individu zelf en de klemtoon ligt onbedoeld
meer op de eigen ervaring dan op de beschreven gebeurtenissen.
In de brede zin van het woord zijn álle in en over de gevangenissen en
kampen opgestelde documenten getuigenissen,
ook de registers, cartotheken en naamlijsten die gründliche Duitsers bijhielden (o.m. van de konvooien uit Durchgangslager Mechelen). Maar het zijn
géén egodocumenten en ze zijn niet afkomstig van gevangenen (ook
al werden soms gevangenen ingeschakeld voor het maken van die
lijsten). De getuigenisintentie, de bedoeling te getuigen,
over iets te berichten, is een wezenlijk kenmerk van egodocumenten.
De korte levensbeschrijving die Jozef Vanlerberghe op 6 augustus
1942 eigenhandig schreef op het in gotisch schrift gedrukt formulier
dat hem bij aankomst in Zuchthaus Rheinbach werd voorgelegd,
[7]
is ongetwijfeld een waardevol document - een
van de laatste sporen van deze gevangene die in april '45 omkwam
in Zuchthaus Hameln - maar het is géén egodocument.
[8]
Onderzoekers die geschiedkundig en juridisch bruikbaar materiaal zoeken
en bereid zijn die ook in getuigenissen te sprokkelen, moeten
álle soorten getuigenissen raadplegen. Maar wie, zoals ik, kenmerken
van getuigen en egodocumenten in kaart wil brengen moet minder
vrijwillige, minder spontane en onbedoelde getuigenissen afzonderen
van de andere egodocumenten, eventueel om ze als proef op de som
te gebruiken. Hieronder kom ik hier nog uitvoerig op terug.
[9]
Egodocumenten handelen niet altijd over de (subjectieve) ervaring van de
getuige maar ze zijn altijd opgesteld vanuit die ervaring. Het
verband met de ervaring is niet steeds even opvallend of even
duidelijk, maar het is onontkoombaar. De indirecte en onopvallende
verbanden mogen niet verwaarloosd worden. Bij egodocumenten over
de kampen maken ze meer inzicht mogelijk in de extreme ervaring
en haar verwerking. Nemen we bijvoorbeeld de aquarellen van Robert
Braem over zijn gevangeniservaring. Als gevangene in Straubing
am Donau maakte hij een waterverftekening van de Oostendse vissershaven.
Een onderwerp dat de hang naar vrijheid goed uitdrukt - het ruime
sop kunnen kiezen; een verlangen uitgebeeld door middel van een
beeld uit het verleden, de Belgische kust waar Robert Braem opgroeide,
en mét middelen uit dat verleden: Robert Braem was sierschilder.
De gevangene gebruikte zijn verbeelding als wapen.
[10]
Terug uit gevangenschap maakte Robert Braem
een aquarel over zijn gevangenschap, nu getekend vanuit het perspectief
van een buitenstaander, niet van binnenuit, doorheen tralies,
maar van buitenuit, met bewakers die langs een getraliede cel
lopen.
Het begrip egodocument mag dus ook niet te eng geïnterpreteerd worden.
Vanuit juridisch en historisch oogpunt lijkt een tekening die
de binnenkant van een celdeur voorstelt weinig relevant, maar
ze weerspiegelt wel een niet te verwaarlozen aspect van de gevangeniservaring.
Ze getuigt over een tot celdeur en celmuur beperkte horizont,
een einder die alleen door de verbeelding overschreden kon worden.
Die tekening zegt dus iets over opsluiting, eenzaamheid, eentonigheid,
afstomping, zucht naar vrijheid en getuigenisdrang.
Het is, terloops gezegd, geen toeval dat de aangehaalde voorbeelden tekeningen
zijn. Als tijd en middelen beperkt zijn, als wat moet worden weergegeven
ternauwernood te vatten en te verwerken is, kan door middel van
afbeeldingen méér onder woorden worden gebracht dan met woorden
uitgebeeld kan worden. Gedichten vormen hierop de uitzondering
die de regel bevestigt: woorden worden tot beelden, die gevoelens
weergeven door ze op te roepen in de verbeelding van de toeschouwer.
Een andere voorwaarde waaraan de in deze bibliografie samengebrachte egodocumenten
voldoen, is dat ze direct of indirect te maken hebben met de eigen gevangenschap. Getuigenissen van
toeschouwers werden in principe niet opgenomen, toch niet in de
bibliografie zelf. Daarom ontbreekt bijvoorbeeld de ongetwijfeld
relevante getuigenis van Monseigneur Graman, aalmoezenier in Breendonk.
[11]
Ook de gedragen brochure van politiek gevangene
Willy Colette, over de affaire van het Karmelietessenklooster
in Auschwitz (Pour un dossier objectif et loyalement oecuménique), zal men vruchteloos
zoeken. Ze gaat niet over zijn eigen gevangeniservaring (de gevangenissen
van Namur en Charleroi) en ook niet over gevangenschap in het
algemeen. De motivatie en betrokkenheid van de auteur stammen
zeer zeker uit zijn ervaring als politiek gevangene, maar zo'n
indirect verband is zelfs voor een bibliografie van egodocumenten
te vaag.
Het ooggetuigenverslag van Victor Martin over Auschwitz en het getto van
Sosnowice, een document dat reeds in 1943 werd gepubliceerd, werd
daarentegen wél opgenomen. Victor Martin werd eind 1942 uitgezonden
door het enkele maanden eerder opgerichte Comité
de Défense des Juifs (CDJ)
[12]
om meer aan de weet te komen over het lot van
de joden die uit België werden gedeporteerd. In Katowice en het
getto van Sosnowice (in de buurt van Auschwitz) vernam hij meer
dan genoeg over Auschwitz. Het belang van zijn getuigenis kan
moeilijk overschat worden (The
first information on Auschwitz, heet ze in de collectie van
de Wiener Library). Maar deze getuigenis is geen egodocument van
een gevangene over Auschwitz.
De egodocumenten geschreven door Victor Martin worden niet bij
die over Auschwitz geteld maar bij die over Kattowitz, Charleroi,
St-Gillis en Rattwitz, waar Victor Martin wel opgesloten zat.
Een ander voorbeeld zijn de vele 'documentaire romans' die Ludo Van Eck
over de kampen schreef.
[13]
Alleen die (delen) van werken die verband houden
met Dachau, het kamp waar de auteur gevangene was, werden opgenomen.
Voor alle opgenomen documenten werd dus nagegaan of de auteur opgesloten
zat in de gevangenis of het kamp waarover getuigd wordt. Enkele
getuigenissen die niet aan dit criterium voldoen worden omwille
van hun belang toch vermeld in de bibliografie of in bijlage,
maar er werd geen rekening mee gehouden bij de verwerking en interpretatie
van het corpus.
In bijlage worden ook een paar boeken vermeld die me minder betrouwbaar
lijken. De moeite die het heeft gekost om ze als mogelijk egodocument
uit te sluiten mag toch niet verloren gaan. Belsen...
De dood mijn goede vriend, een roman van John D. Burton rond
de zo goed als zeker fictieve familie Mendelsohn, is een goed
voorbeeld. Absolute zekerheid kreeg ik niet,
[14]
maar te oordelen naar de overdrijvingen en
onjuistheden in dit boek én het feit dat diezelfde Burton ook
en op dezelfde wijze geschreven heeft over Japanse kampen,
[15]
gaat het meer dan waarschijnlijk niet om een
egodocument. In het kader van deze bibliografie konden onmogelijk
álle boeken en manuscripten vermeld worden die ik in de loop van
vier jaar beoordeeld heb en waarvan bleek dat het geen egodocumenten
waren. Dat is een beetje jammer, sommige gaan immers nog steeds
door voor ooggetuigenverslagen. Bijvoorbeeld L'immigré Herschel Schaerbeeker raconte van Zalek Kalb-Beller
[16]
dat over een fictief personage handelt en in
feite ook niets met de kampen te maken heeft.
De aantekeningen van Arthur Haulot over gesprekken die hij in de gevangenis
van Vorst voerde met Jozef Cardijn, werden niet opgenomen. Ze
gaan noch over zijn gevangenschap, noch over hemzelf. Hun inhoud
is louter politiek en houdt alleen verband met de wereld vóór
en na de gevangenschap. Hun enige verband met de internering is
dat ze toen geschreven werden. De nota's van Cardijn daarentegen,
bevatten wel persoonlijke elementen en gegevens, en werden dus
wel opgenomen.
Aanvankelijk wou ik alleen documenten opnemen die geschreven of getekend
werden door de gevangene zélf. Een conditie die kaderde in het
prosopografisch opzet. Gaandeweg bleek dit strikt authenticiteitscriterium
te streng, het sloot te veel getuigen, getuigenissen en informatie
uit. Meer zelfs, door deze restrictie dreigde informatie verloren
te gaan die tot bredere en objectievere inzichten kan leiden,
bijvoorbeeld getuigenisvormen en -inhouden eigen aan personen
uit lager geschoolde bevolkingsgroepen. Zeker in de directe naoorlogse
jaren kreeg lang niet iedereen dezelfde kansen en mogelijkheden
om te getuigen, laat staan om te publiceren. Vandaar dat ook egodocumenten
opgetekend door derden werden opgenomen. Door de band zijn ze niet minder authenthiek en niet minder spontaan
dan andere getuigenissen die in dezelfde periode tot stand gekomen
zijn. Soms is het tegendeel waar. Dat komt doordat samen met het
opleidingsniveau doorgaans ook het besef van subjectiviteit en
de behoefte aan objectiviteit toenemen. Het streven naar objectiviteit
is wetenschappelijk gezien bijzonder waardevol, maar bij subjectieve
bronnen als egodocumenten leidt het tot soms betreurenswaardige
censuur. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het egodocument van
Léon Calembert over Flossenbürg. Calembert, een gedegen wetenschapper,
probeerde elke subjectiviteit uit zijn verslag te weren en onthield
zodoende belangrijke informatie aan lezers en wetenschappers,
met name subjectgebonden gegevens die inzicht mogelijk maken in
de specifieke wijze waarop de getuige heeft waargenomen, ervaren
en geïnterpreteerd.
[17]
Na lang wikken en wegen besloot ik ook interviews op te nemen. Doorslaggevend was dat ook hier veelal minder
taal- of schrijfvaardige getuigen aan bod komen. Wel zorgde ik
er steeds voor dat deze en andere specifieke getuigenisvormen
afgesplitst konden worden voor de verwerking van de gegevens.
Voor sommige documenten blééf het moeilijk om de knoop door te hakken.
Bijvoorbeeld Je ne puis
oublier van André Feron, geschreven in de ik-vorm, in naam
van zijn vader, Camille Feron. Deze documentaire roman is deels
gebaseerd op herinneringen van de zoon aan wat zijn vader hem
verteld heeft, deels op getuigenissen van enkele tientallen overlevenden
die Camille Feron in gevangenschap hebben gekend. Anders dan in
andere bundels over een gewezen medegevangene (b.v. die over Marguerite
Bervoets en die over Jo Eekman) werden de getuigenissen over Camille
Feron integraal in het verhaal geïntegreerd. Ze kunnen niet meer
geïsoleerd bestudeerd worden, kunnen niet meer vastgekoppeld worden
aan persoonskenmerken van de getuige. Je
ne puis oublier werd verteld noch geschreven door de getuige
zelf, en de getuigenissen waarop het is gebaseerd zijn onherkenbaar
geworden. Het is geen egodocument, ook al bevat het veel interessante
en betrouwbare informatie. Het boek werd opgenomen in bijlage
en er wordt naar verwezen in de registers.
Ook Het gebroken uur, waarin
Sonia Kogan het deportatieverhaal navertelt dat ze van haar moeder
hoorde, wordt alleen in bijlage vermeld. Het is geen egodocument
maar een verhaal uit de tweede hand, waarin het relaas van de
getuige versmolten is met de herinneringen van de toehoorder.
Om hieruit nog prosopografische inzichten te kunnen puren, zouden
naast biografische gegevens over de getuige ook die betreffende
de dochter moeten worden opgespoord en verwerkt. Het trekken van
conclusies uit zo'n wirwar van determinanten en invloeden wordt
toch wat te speculatief.
ii. Egodocumenten over nazi-kampen en -gevangenissen
Het gaat om egodocumenten over
nazi-gevangenissen en -kampen. Het begrip nazi-kamp is wel te
ruim. In de totalitaire nazi-maatschappij bestonden vele soorten
kampen en gedurende de oorlog werden die nog verder uitgebreid.
Ook hier moest dus afgebakend worden. Gekozen werd voor de in
geschiedkundig opzicht meest uitzonderlijke en extreme kampen,
die waarin burgers om
politieke of raciale redenen opgesloten
werden. Krijgsgevangenen (militaire
slachtoffers) en verplicht tewerkgestelden (economische
slachtoffers) werden voor deze bibliografie buiten beschouwing
gelaten.
Deze optie werd ook ingegeven door de uiteindelijke doelstelling van het
onderzoek dat ik op langere termijn verricht: het in kaart brengen
en doorgronden van egodocumenten over extreme
situaties. Over de objectieve en subjectieve variaties van
extremiteit ten gevolge van gevangenschap valt heel wat te zeggen,
maar op de keper beschouwd komt haar essentie op het volgende
neer. Onrechtmatige vrijheidsberoving in een mensvijandig milieu,
zonder zekerheden (ook niet wat de duur van de internering betreft);
blootgesteld aan bijna totale willekeur, voortdurende dreiging
van mishandeling en levensgevaar, met depersonalisering, desindividualisatie
en ontmenselijking tot gevolg.
[18]
Het corpus beperken tot die over concentratie- en uitroeiingskampen bleek
niet doeltreffend genoeg. Egodocumenten over bijvoorbeeld Breendonk
zouden dan uitgesloten worden. Volgens de eufemistische SS-terminologie
was Breendonk immers geen concentratiekamp maar een opvangs-,
onthaal- of doorgangskamp. Hetzelfde geldt voor het doorgangskamp
in Mechelen (de 'Dossinkazerne'), dat qua extremiteit vergeleken
mag worden met sommige concentratiekampen.
[19]
Wat er verder ook van zij, veel ex-Breendonkers
die later naar concentratiekampen in Duitsland werden weggevoerd
zijn het erover eens dat Breendonk het ergste was dat ze hebben
meegemaakt. In dit kleine kamp kon men nimmer in de massa opgaan,
de gevangenen stonden meer bloot aan persoonsgerichte kwellingen
en die terreur werd daarenboven vaak uitgeoefend door mensen van
'eigen volk' (Vlaamse SS). In de Dossinkazerne was er minder directe
fysieke geweldpleging, maar de psychische terreur was aanzienlijk,
zij het anders dan die in Breendonk. In Mechelen bestond ze voornamelijk
uit de beklemmende overbevolking, de ondraaglijke dreiging van
transport naar een even onbekende als onheilspellende bestemming
en de nabijheid van even of zelfs sterker bedreigde geliefden
(jonge kinderen, grootouders).
Het onderscheid tussen enerzijds verzamelkamp, doorgangskamp, speciaal
kamp (Sonderlager) en
tutti quanti, en anderzijds concentratiekamp, bleek niet bruikbaar.
Het is een nazi-onderscheid dat bovendien nogal eens op ondoorzichtige
en inconsistente wijze werd gehanteerd.
[20]
Overigens hebben nogal wat getuigen in verscheidene
soorten kampen gezeten. Ook de dwangarbeidskampen (ZAL,
Zwangsarbeitslager) voor joden en die van de Organisation Todt konden niet buiten beschouwing worden gelaten. Een
analoge redenering leidde tot de beslissing ook rekening te houden
met gevangenissen. Velen die daarin opgesloten werden kwamen later
toch in een kamp terecht, anderen ontsnapten slechts op het nippertje
aan dat lot.
De kampen van Vichy-Frankrijk (Gurs, Argelès...) en die van het Spanje
van Franco (Miranda del Ebro b.v.) waren geen nazi-kampen en getuigenissen daarover werden hier dan ook buiten beschouwing
gelaten. Ze worden wel een enkele keer vermeld, als ze ter sprake
komen in een egodocument van een KZ-gevangene die voordien in
een Vichy-kamp zat.
Ook het onderscheid tussen gevangenen en gedeporteerden bleek niet bruikbaar.
De extremiteit van de ervaring neemt doorgaans toe wanneer men
uit het vaderland wordt weggevoerd doch zeker niet altijd. Al
kán leed niet gemeten worden, het lijdt geen twijfel dat velen
die 'alleen' in Breendonk hebben gezeten, het zwaarder te verduren
hebben gehad dan die lotgenoten die wel naar Duitsland werden
gedeporteerd maar het 'geluk' hadden terecht te komen in enigszins
leefbare gevangenissen.
Er was nog een andere aanpak mogelijk: egodocumenten van personen die na
de oorlog door de Belgische staat werden erkend als politiek gevangene.
Met zo'n benadering begeeft men zich evenwel op glad ijs. Kort
samengevat kan worden gesteld dat de aanvankelijke invulling van
het begrip politiek gevangene, waarbij het criterium
'leed' zwaarder doorwoog dan 'verdienste' (verdienste die daarenboven
louter moreel genterpreteerd werd, het feit dat de betrokkene
de gevangenschap waardig had doorstaan), dat deze invulling dus,
onder politieke druk tot een patriottisch criterium werd omgebogen,
het criterium van het verzet. Het uiteindelijke resultaat van
het politiek touwtrekken was dat personen die 'slechts' opgepakt
waren omwille van hun ras uit de erkenningsboot vielen.
[21]
Uit de honderden dossiers van gewezen gevangenen
die ik in het kader van onderzoek voor deze bibliografie (en andere
opsporingen) heb doorworsteld, onthou ik bovendien dat de uiteindelijke
regeling niet altijd en niet voor iedereen even billijk werd toegepast,
ook niet volgens eigentijdse maatstaven. Sommige overlevenden
van de kampen werden pas na een lang juridisch gevecht erkend,
anderen vechten nog steeds voor erkenning.
De terminologie blijft een netelige kwestie.
Met raciale gevangenen
verwijs ik naar mensen die werden opgepakt enkel en alleen omwille
van hun 'ras', in casu het joodse 'ras'. Maar daarmee is de kous
evenwel niet af. Ras is wat mensen betreft en zeker waar
het om differentiaties gaat onder blanken (of onder zwarten),
wetenschappelijk gezien een betwistbaar en ook sterk betwist begrip.
De inhoud van dit sinds de 19de eeuw veelvuldig en door velen
gebruikt begrip is - weten we nu - ideologisch en politiek.
[22]
Joden, zigeuners en Slaven die door de nazi's
werden vervolgd, opgesloten en uitgeroeid zijn dus eigenlijk ook
politieke slachtoffers,
slachtoffers van een meedogenloze rassenpolitiek.
[23]
Maar het bijvoeglijk naamwoord in politiek
gevangene wordt doorgaans bedoeld en opgevat als een verwijzing
naar motieven of acties van de gevangenen, niet naar die van de
daders. De term wordt gewoonlijk gereserveerd voor diegenen die
's lands vijand hebben bestreden, zij die zich metterdaad hebben
ingezet voor het vaderland. De nazi's hadden het vanuit nog een
andere invalshoek over politischer Häftling: hij die in potentie of daadwerkelijk een tegenstander
was van (de politiek van) het nationaal-socialisme, vijand van
het derde rijk, dit vaderland van anderen. Nogal wat politieke
gevangenen ergerden zich reeds in het kamp aan deze betekenis,
waardoor zelfs uit de pas lopende nazi-partijleden en Wehrmachtsoldaten
die een straf in de kampen moesten uitzitten de rode driehoek
van de politieken kregen.
[24]
Het blijft een netelige kwestie.
Terloops herinner ik eraan dat al deze onderscheiden
ook een rol hebben gespeeld in het debat, kort na de oorlog, over
de toekenning van de onderscheiding politiek
gevangene en dat die onderscheiden toen politiek werden ingevuld,
zeker wat joden en zigeuners betreft. Vanop afstand bekeken komt
het enigszins cynisch over, dat het uiteindelijk classificatiesysteem
van de naoorlogse politieke erkenning door de Belgische staat
grosso modo overeenkomt met dat gehanteerd door de nazi's in de
kampen. Ook daar kregen bijvoorbeeld joden geen politieke 'erkenning',
behalve wanneer ze gearresteerd waren wegens verzetsdaden en,
in plaats van de jodenster, een gele en rode driehoek moesten
dragen die samen toch weer een ster vormden. Men vergeet te licht
dat de nazi-classificatie destijds weinig aanstootgevend was voor
de meeste tegenstanders én slachtoffers van de nazi's. Deze rangschikking
was geen nazi-uitvinding, maar het ten top gedreven condensaat
van intermenselijke spanningen, belangenstrijd en stigmatisering.
In het Europa van de eerste helft van de 20ste eeuw onderscheidden
de nazi's zich hierin alleen qua intensiteit en radicaliteit.
De gekleurde driehoeken die in de kampen werden gedragen, weerspiegelden
tot op grote hoogte het waarden- en normensysteem van vele politieke
gevangenen; waarden en normen die het onderling gedrag, het al
dan niet verstrekken van hulp bijvoorbeeld, ongetwijfeld hebben
beïnvloed. Politieke gevangenen bijvoorbeeld, lieten in het kamp
de homoseksuelen, Jehovah's getuigen, joden, asocialen en misdadigers
zoveel mogelijk links liggen.
Hoewel de term 'politiek gevangene' al voorkomt
in de Belgische wetgeving over gevangenschap gedurende de eerste
wereldoorlog, kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het begrip
tijdens en vooral na de tweede oorlog deels werd ontleend aan,
of werd bekrachtigd door, het onderscheidend gebruik dat ervan
werd gemaakt in de kampen. Meer dan gedurende en na de eerste wereldbrand werd
het daar een distinctie
en mede daardoor een eretitel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het
feit dat nogal wat kampoverlevenden bij hun repatriring politiek
gevangene invulden op hun SHAEF-kaart
[25]
(onderaan bij de 'Remarks'), vaak aangevuld
met de naam van het voornaamste kamp waar ze gezeten hadden. Mijn
indruk zou als hypothese uitgediept en geverifieerd moeten worden.
Bijvoorbeeld door het gebruik van de term politiek gevangene gedurende WO-I, het
interbellum, WO-II en in de eerste naoorlogse jaren na te gaan.
De eventuele invloed van kampervaringen zou ook kunnen blijken
uit verschillen qua gebruik tussen degenen die alleen in gevangenissen
(in België en/of in Duitsland) gezeten hebben en zij die in de
concentratiekampen terechtkwamen. Ook overeenkomsten en verschillen
met het directe naoorlogse gebruik in andere Westeuropese landen
kunnen leerrijk zijn.
Al deze overwegingen sterkten me in de overtuiging
[26]
dat de selectiecriteria voor deze bibliografie
zo ruim mogelijk moesten zijn. Deze door de heuristiek ingegeven
beslissing komt ook de gebruiker ten goede, de bibliografie bevat
meer informatie en biedt meer mogelijkheden. Uit het samengestelde
corpus kan op vrij eenvoudige wijze een deel worden afgezonderd
om het te bestuderen, bijvoorbeeld de egodocumenten over een bepaald
(soort) kamp of die geschreven of uitgegeven in een bepaalde periode.
Doordat in de mate van het mogelijke de vindplaats van de documenten
wordt gegeven, kunnen ze ook relatief gemakkelijk worden geraadpleegd
om bijvoorbeeld bepaalde gebeurtenissen in een kamp of levensomstandigheden
op een bepaald moment te bestuderen, voor vergelijkend inhoudelijk
onderzoek dus.
iii. 'Belgische' egodocumenten
Het gaat om een Belgische bibliografie.
De kwalificatie Belg is evenwel te beperkt, het gros van de als
jood of zigeuner opgepakten bezat de Belgische nationaliteit niet. De toevoeging 'uit België gedeporteerde personen' volstond niet,
de niet-gedeporteerden en zij die buiten de landsgrenzen werden
gearresteerd zijn dan nog niet inbegrepen. Ook door de toevoeging
'in België gedomicilieerde personen' werden nog niet alle relevante
egodocumenten gedekt. Dat van Sura Biderman bijvoorbeeld. Geboren
en getogen in Warschau voegde ze zich in 1939 bij haar familie,
die sinds 1936 in België verbleef. Tijdens de oorlog nam ze deel
aan het verzet. In maart 1944 werd ze als joodse opgepakt en kort
nadien gedeporteerd. Toen ze na de oorlog naar België werd gerepatrieerd
vulde ze op haar SHAEF-kaart als nationaliteit 'Belgisch' in.
Maar toen haar in 1950, omwille van haar patriottische activiteit
de Belgische titel 'politiek gevangene' werd verleend, bezat ze
nog steeds de Poolse nationaliteit. Uit haar erkenningsdossier
blijkt ook dat ze gedurende de oorlog in het buitenland gedomicilieerd
bleef.
[27]
Egodocumenten van deze 'statenloze' personen
mochten uiteraard niet uitgesloten worden en daarom werd tot slot
de specificatie toegevoegd 'die in België verbleven'.
iv. Extrapolatie tot andere egodocumenten
De onontbeerlijke verbijzonderingen die hierboven werden uiteengezet leidden
onwillekeurig, door de druk logisch consistent te blijven, tot
verdere uitbreiding van de verzameling. Nemen we bijvoorbeeld
het egodocument van Fernand Leleux. Deze Fransman was sinds 1934
verbonden aan het Frans consulaat te Gent. Bij het uitbreken van
de oorlog werd hij gemobiliseerd in dienst van de Franse militaire
attaché in Brussel die hij naar Frankrijk volgde. Na zijn demobilisatie
in september 1940 probeerde Leleux naar België terug te keren
maar hij stuitte op een algemeen immigratieverbod voor vreemdelingen.
Eind mei 1942 werd hij vice-consul in Frankfurt. Een goed jaar
later werd hij door de Gestapo gearresteerd omdat hij Franse gevangenen
had helpen ontvluchten. Hij werd tot drie jaar dwangarbeid veroordeeld
en zat tot eind maart 1945 opgesloten. Na de oorlog bleef hij
verbonden aan het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder
meer als vice-consul in Gent.
[28]
Deze getuige was geen Belg en wou dat, anders
dan bijvoorbeeld de meeste joden, ook niet worden; hij verbleef
slechts tijdelijk in België maar was er wel gedomicilieerd, verbleef
en getuigde er.
Een ander voorbeeld is Jean Améry, een anagram van Mayer (of Maier), zijn
echte naam. Hans Mayer werd op 31 oktober 1912 in Wenen geboren.
Zijn vader was van joodse origine maar Hans werd niet joods-orthodox
opgevoed. Na de Anschluß
in 1938 week Hans Mayer uit naar Antwerpen. Daar was hij actief
in het verzet (Österreichischen Freiheitsfront, onder de schuilnaam
Roger Lippens). Hij werd gearresteerd in juli 1943, zat meer dan
vijf maand in Einzelhaft
in Breendonk en ging vervolgens, vanwege zijn half-joodse afkomst,
naar Durchgangslager Mechelen. Van daaruit werd
hij naar Auschwitz gedeporteerd. later kwam hij ook nog terecht
in Gleiwitz-II, Dora-Mittelbau en Bergen-Belsen. Na de oorlog
wou hij onder geen beding naar Oostenrijk terug en vestigde zich
in Brussel. Eind 1949 werd aan de Oostenrijker Hans Mayer de titel
en het statuut van politiek gevangene verleend omwille van zijn
vaderlandslievende activiteiten. Zijn egodocumenten schreef hij
voor het grootste deel in België.
[29]
Het egodocument van een andere Oostenrijker, Ernst Federn, Essai sur la psychologie de la terreur,
dat eveneens geschreven en gepubliceerd werd in Brussel, werd
daarentegen niet opgenomen. Voor zover ik kon nagaan kwam Ernst
Federn pas na de oorlog, na zijn bevrijding uit Buchenwald, naar
België (waar hij tot omstreeks 1948 bleef wonen).
Geschiedkundig gezien is deze extrapolatie zeker interessant, de toegevoegde
getuigenissen bevatten informatie over gevangenisoorden in België
en over Belgen die normaliter aan de aandacht van onderzoekers
zou ontsnappen. Wat dat betreft maak ik overigens geen aanspraak
op volledigheid. Had ik bijvoorbeeld vanuit mijn brede belangstelling
voor egodocumenten niet het in de V.S. verschenen ooggetuigenverslag
van Louis Micheels gelezen, dan had ik nooit geweten dat deze
Nederlandse jood werd opgepakt toen hij via België naar Frankrijk
probeerde te ontkomen, dat hij opgesloten zat in Sint-Gillis en
Mechelen, van waaruit hij met het twintigste konvooi naar Auschwitz
werd gedeporteerd.
Alle gevallen opsommen is ondoenlijk en zou ook redundant zijn, de hierboven
aangehaalde voorbeelden maken de gehanteerde selectieprincipes
voldoende duidelijk. Enkele andere selectiecriteria komen hieronder
nog aan bod (In 'Het samenstellen van het corpus').
[30]
v. De criteria publikatie en spontaneïteit
Hoe kleiner de verzameling die wordt bestudeerd, hoe belangrijker haar
volledigheid. In een relatief kleine verzameling is de invloed
van mogelijke afwijkingen groot. Conclusies gepuurd uit een studie
over bijvoorbeeld negen gevallen, worden door één afwijkend geval
(het tiende) sterker geïnvalideerd dan conclusies verbonden aan
900 gevallen (daarenboven is de kans dat alle 100 volgende gevallen
op dezelfde wijze zouden afwijken verwaarloosbaar klein). Naar
analogie met de wet van de grote getallen mag gesteld worden dat
naarmate een verzameling uitgebreid wordt, de kans op afwijking
en het gewicht van de anomalie afnemen.
Het samenstellen van een kleine verzameling is dus niet alleen een delicate,
maar ook een cruciale fase. Wat de 'Belgische' egodocumenten over
de kampen betreft is exhaustiviteit uitgesloten. Niemand heeft
een kijk op de volledige verzameling egodocumenten maar, zoals
ik eerder schreef,
[31]
er moeten minstens garanties zijn dat alle
bestaande en controleerbare bronnen geraadpleegd werden. In feite
moeten alle boeken over de Tweede Wereldoorlog die in België of
door Belgen werden gepubliceerd en die in principe over kampervaringen
zouden kunnen gaan ter hand worden genomen.
In eerste instantie moest de klemtoon dus liggen op opsporen, verzamelen
en in kaart brengen. Aangezien het volledig onderzoek aanvankelijk
in twee jaar voltooid moest zijn en ik alle gegevens handmatig
moest verwerken, bleef er geen andere keus dan het onderzoeksveld
in te perken. Ik beperkte het tot spontane egodocumenten gepubliceerd in boek-
of brochurevorm. Toen het project met twee jaar werd verlengd
en ik tevens beschikking kreeg over een personal computer en een
speciaal vervaardigde D-base toepassing, konden de bakens verzet
worden. Minder spontane
en ongepubliceerde egodocumenten werden erbij genomen, alsook
de getuigenissen in kranten en tijdschriften die ik al doende
vond.
De mate waarin stimulans en motivatie om te getuigen uit de persoon zèlf
komen, is van belang voor inzicht in de evolutie van het getuigen
over de nazi-kampen. Wil men zicht krijgen op verbanden tussen
persoonlijkheids- en getuigeniskenmerken (óf men getuigt, moment,
inhoud van de getuigenis...) en hun evolutie, dan moeten spontane
egodocumenten worden afgezonderd van uitgelokte, minder spontane
getuigenissen. Spontane egodocumenten liggen meestal in het verlengde
van de kampervaring. Vanuit psychologisch perspectief zijn ze
onderdeel, voortzetting en verwerking van de extreme ervaring.
Dat is minder uitgesproken het geval voor getuigenissen die door
derden werden uitgelokt. De getuigenisprikkel komt dan van buiten
en houdt alleen indirect verband met de eigen ervaring, en dat
heeft een weerslag op vorm en inhoud van de getuigenis. Gesolliciteerde
getuigenissen dienen door de band andere doelstellingen dan spontane
egodocumenten en hun totstandkoming gehoorzaamt aan andere, minder
persoonlijke, meer groepsgebonden, meer politieke wetmatigheden.
In een onderzoek naar wisselwerkingen tussen enerzijds persoonsgebonden factoren en anderzijds waarneming, interpretatie
en getuigenis, veroorzaken niet-spontane getuigenissen ruis die
de onderzoeksresultaten verstoort.
Spontaneïteit is een psychologische, gevoelsmatige notie en dus een enigszins
rekbaar begrip. Het is niet altijd mogelijk om precies na te gaan
welke mengeling van factoren iemand tot getuigen heeft aangezet.
Spontaneïteit is een gradueel begrip, waarover alleen bij vergelijking
(meer of minder spontaan) consensus kan bestaan. Getuigenissen
die speciaal geschreven werden naar aanleiding van een expliciete
oproep (bijvoorbeeld in het Bulletin Trimestriel de Neuengamme 1992/3,
p. 6-7) of getuigenissen die geschreven werden ter gelegenheid
van bijvoorbeeld de veertigste verjaardag van de bevrijding, zijn
gewoonlijk minder spontaan dan getuigenissen die kort na de oorlog
werden uitgegeven in eigen beheer.
Met betrekking tot egodocumenten gebruik ik spontaneteit in de volgende
betekenis: bij afwezigheid van duidelijke externe impuls of stimulans,
een beduidende en volgehouden inspanning om de eigen kampervaring
te boekstaven en aan derden door te geven. Spontaneïteit houdt
dus geen direct verband met de inhoud van het egodocument, het
is geen kwaliteit of kwalificatie van de inhoud maar een onderscheid
betreffende prikkel, motivatie en wil te getuigen. Spontaneteit
mag evenmin verward worden met authenticiteit of waarachtigheid,
begrippen die soms gebruikt worden om volledige afwezigheid van
externe invloeden op de inhoud aan te geven (b.v. de weerslag
die naoorlogse gebeurtenissen of kennis kunnen hebben op de beoordeling
van de kampervaring).
[32]
De veronderstelde afwezigheid
van externe invloeden op de getuigenisinhoud
[33]
doet er natuurlijk niet toe in een studie waar
de klemtoon juist ligt op dergelijke invloeden: verbanden tussen
getuige, ervaring waarover getuigd wordt, moment en wijze waarop
dat gebeurt. Spontaneteit is hier gewoon een onderscheid dat meer
gedetailleerd onderzoek mogelijk maakt naar dit soort verbanden.
[34]
In theorie zou nog verder gedifferentieerd kunnen worden. Men zou bijvoorbeeld
rekening kunnen houden met soorten en intensiteiten van getuigenisprikkels.
Voor sommige overlevenden volstond op een bepaald moment een relatief
zwakke prikkel om te getuigen, bijvoorbeeld het simpele feit dat
iemand een bibliografie van Belgische egodocumenten samenstelt.
In de praktijk zijn deze doorgedreven onderscheidingen evenwel
moeilijk uitvoerbaar.
Over spontaneïteit blijft discussie mogelijk, ook wat egodocumenten betreft.
Nemen we bijvoorbeeld twee egodocumenten van Arthur Haulot over
zijn kampervaring. Begin januari 1943 begon hij in Dachau een
dagboek bij te houden.
[35]
Het is een egodocument van de zuiverste soort,
een intiem dagboek waarin voornamelijk innerlijke roerselen, bespiegelingen
en reacties op het kampleven aan bod komen. De auteur stelt zich
niet bewust als getuige op, hij richt zich niet expliciet tot
buitenstaanders. In 1945 schreef en publiceerde Haulot een ander
ooggetuigenverslag, Dachau,
dat blijkens zijn woord vooraf uitdrukkelijk tot buitenstaanders
was gericht omdat zij zich toen al afkeerden van de gruwel, ja,
het waagden die in twijfel te trekken (p. 8). In dit tweede egodocument
getuigt Haulot om te overtuigen.
[36]
Deze door naoorlogse ontwikkelingen ingegeven
motivatie had een duidelijke weerslag op vorm en inhoud van het
egodocument, dat desalniettemin spontaan is én in het verlengde
ligt van de kampervaring.
[37]
Niet-spontane en ongepubliceerde egodocumenten werden er niet zomaar, omwille
van de volledigheid, bijgenomen. Ze maken ook controle en bijstelling
mogelijk van hypothesen gehanteerd voor de afsplitsing van gepubliceerde
en spontane egodocumenten. Stel dat voor gepubliceerde getuigenissen
een betekenisvolle correlatie gevonden wordt tussen enerzijds,
het naakte feit te getuigen en, anderzijds, scholingsgraad en
geslacht van de getuige (b.v. minder publikaties van vrouwen en
van mensen met een lage scholingsgraad). Daaraan kunnen verschillende
hypothesen worden vastgeknoopt: er waren relatief minder vrouwelijke/laaggeschoolde
gevangenen of minder vrouwelijke/laaggeschoolde overlevenden,
of nog, vrouwen/laaggeschoolden hadden minder publikatiekans of
waren minder geneigd hun getuigenis openbaar te maken.
[38]
Gegevens over geslacht en scholingsgraad van
personen die getuigden maar wier getuigenis niet werd gepubliceerd,
kunnen hierop een begin van antwoord mogelijk maken. Mocht blijken
dat de man-vrouw verhouding dezelfde is bij gepubliceerde en ongepubliceerde
egodocumenten (voor beide bijvoorbeeld minder getuigenissen van
vrouwen), dan zou daaruit kunnen volgen dat beide sexen grosso
modo dezelfde publikatiekans kregen, tenzij deze overeenkomst
tussen publikaties en manuscripten integraal toegeschreven wordt
aan het feit dat de stimulans tot getuigen samen met de publikatiemogelijkheid
afneemt. Wat daar verder ook van zij, duidelijk moge zijn dat
publikatie geen geschiedkundig of wetenschappelijk criterium is
maar een maatschappelijk, sociaal-economisch criterium. Het is
dan ook een goede zaak dat het corpus kon worden uitgebreid met
ongepubliceerde egodocumenten.
[39]
Voor spontaneïteit en uitingskansen geldt wat eerder werd gezegd in verband
met getuigenissen opgetekend door derden. Minder schriftgerichte,
literair minder begaafden en maatschappelijk marginale groepen
komen zelden of niet aan bod. Worden de minder spontane ooggetuigenverslagen
buiten beschouwing gelaten dan verdwijnen bepaalde aspecten en
interpretaties van gebeurtenissen in het niets, er gaat een deel
van de geschiedenis verloren. Een goed voorbeeld zijn de zigeuners
met hun op orale overlevering gerichte cultuur, waarin het schrift
- het vastgelegde - een ondergeschikte rol speelt. Andere oorzaken
van het ontbreken van spontane getuigenissen van de weinige zigeuners
die de deportatie uit België hebben overleefd (13 van de 360)
[40]
zijn, dat ze niet over de benodigde infrastructuur
beschikken en, misschien vooral, dat de discriminatie na de oorlog
'gewoon' doorging. Gevraagd naar hun getuigenis bleken ze best
bereid die te geven.
[41]
De hypothese luidt dus: als ongepubliceerde
egodocumenten buiten beschouwing worden gelaten, wordt het kampbeeld
scheefgetrokken in de richting van denkpatronen en -kaders eigen
aan beter geschoolde sociale klassen.
Voor publikatie spelen uiteraard nog andere factoren mee: vorm van het
egodocument, leesbaarheid, literaire kwaliteit en, misschien vooral,
inhoudelijke bruikbaarheid. De mate waarin wordt voldaan aan vraag
en verwachtingen van het publiek dat het soms wat sensatiegerichte
kampbeeld mee bepaald heeft,
[42]
de inpasbaarheid in naoorlogse politieke en
ideologische doelstellingen. Afwijkende vormen en inhouden hadden
minder kans gepubliceerd te worden. Het ooggetuigenverslag van
iemand die bij het begin van de oorlog uit een psychiatrische
instelling ontsnapte, door de Duitsers werd opgepakt en vijf jaar
in de kampen verdween; een ooggetuigenverslag vol taalfouten en
geschreven in bijna totaal isolement (dezelfde psychiatrische
instelling ná de oorlog), waarin daarenboven enkele minder mooie
kanten van enkele beter geplaatste medegevangenen worden belicht;
zo'n verslag, hoe interessant dat geschiedkundig en sociologisch
gezien ook moge zijn (naar mijn weten is het de enige getuigenis
van een Belg over de gaskamer in Majdanek), maakte geen schijn
van kans. Het werd pas een halve eeuw later uitgegeven, op mijn
initiatief.
[43]
Er zou onderzoek moeten gebeuren naar eventuele sociologische verschillen
tussen degenen die spontaan getuigd hebben en zij die dat alleen
op verzoek hebben gedaan. Ook vergelijking van spontane en niet-spontane
getuigenissen afkomstig van dezelfde getuige zou leerrijk kunnen
zijn.
Of een bepaald egodocument gepubliceerd werd, hangt van nog andere factoren
af dan wil en mogelijkheid. Nogal wat parlementairen en universitairen
die de kampen overleefd hebben en die het aan mogelijkheden noch
middelen ontbrak, hebben desalniettemin geen egodocument geschreven.
Andere overlevenden getuigden wel in geschrifte en wilden dat
ook publiceren,
[44]
maar voerden dat uiteindelijk niet uit. De
tijd ontbrak, ze werden door vele andere dingen in beslag genomen
of de uitverkoren uitgever wou niet met ze scheep gaan. Nog anderen
wilden publiceren en kregen ook de kans, maar werden door weer
andere factoren afgeremd. Enkele jaren geleden bijvoorbeeld, las
ik een bijzonder waardevol egodocument van een Belgisch kampoverlevende.
Ik bracht hem in contact met een uitgever die zich direct bereid
verklaarde het manuscript te publiceren. Toch ging het niet door.
De echtgenote van de auteur, zelf een kampoverlevende, sprak er
haar veto over uit. Ze vreesde dat alles opnieuw zou worden opgerakeld,
dat alles van vooraf aan zou herbeginnen.
Tot slot van de beschouwingen over spontaneïteit volgt een overzicht van
verschillende soorten egodocumenten die werden ondergebracht in
de categorie 'gesolliciteerd' of 'uitgelokt', alsook van de overwegingen
die daarbij een rol hebben gespeeld.
Juridische getuigenissen zijn bijna altijd uitgelokt. Vorm en inhoud zijn
afgestemd op de juridische doelstelling die ze dienen. Het zijn
gedirigeerde getuigenissen. Juridische getuigenissen bevatten
natuurlijk veel bruikbare en interessante informatie en daarom
werden die die ik vond, op dikwijls onverwachte plaatsen, toch
opgenomen.
[45]
Een qua motivatie, vorm en inhoud verwante soort getuigenissen zijn de
rapporten opgesteld kort na de oorlog op
verzoek van officile instellingen. Bijvoorbeeld het op 27.6.44
in Londen opgerichte Belgisch
Commissariaat voor Repatriëring (een humanitaire instelling
die in samenwerking met de UNRRA displaced persons opspoorde en repatrieerde)
dat tot begin jaren vijftig vele getuigen hoorde.
[46]
De doelgerichtheid van deze getuigenissen wordt
weerspiegeld in vorm en inhoud. Ze zijn vaak in een vast stramien
gegoten, een gedrukte vragenlijst
[47]
of een proces-verbaal opgesteld door rijkswachters
of politieagenten. Te oordelen naar het aantal processen-verbaal
dat ik bij het raadplegen van DDO-dossiers in handen kreeg, moeten
er duizenden opgemaakt zijn, onder meer in het kader van erkenningsaanvragen
(getuigenissen ten goede vanwege reeds erkende ex-medegevangenen),
aanspraken op Wiedergutmachung
door de Duitse Bondsrepubliek en met het oog op restitutie van
bezittingen. Deze procedurele
getuigenissen worden in principe niet in deze bibliografie opgenomen.
Het zijn geen echte egodocumenten en hun repertoriëring zou veel
meer tijd en mankracht vergen dan mij ter beschikking stonden.
Deze vroege, militaire, humanitaire en juridische bronnen bevatten
wel relevant en onontgonnen geschiedkundig materiaal, meer zelfs,
ze geven een visie op de kampervaring die nog niet bezwangerd
werd door naoorlogse kennis en politieke gebeurtenissen. De enkele
getuigenissen die ik per toeval vond, op veelal weinig voor de
hand liggende plaatsen, werden omwille van hun ontsluiting toch
opgenomen (in de categorie 'rapport'), maar er werd geen rekening
mee gehouden voor de verwerking van de gegevens van het corpus.
[48]
Interviews en verhalen
opgetekend door derden kwamen hierboven reeds ter sprake.
Ze werden ondergebracht bij de niet-spontane getuigenissen, in
de subcategorie 'verteld aan'.
De grootste subcategorie is die van de bundels. Getuigenissen in bundels werden meestal speciaal voor die
gelegenheid geschreven. Sommige bundels zijn gedenkboeken, geconcipieerd
en geschreven ter nagedachtenis van kameraden die in de gevangenissen
en kampen zijn achtergebleven (b.v. Marguerite Bervoets) of, later,
als in memoriam (voor b.v. Jo Eekman, Joseph
Peeters). Nogal wat bundels zagen het daglicht ter gelegenheid
van bijzondere verjaardagen van de bevrijding uit de kampen (25ste,
40ste verjaardag). Andere kwamen tot stand op initiatief van Vriendenkringen
van ex-gevangenen (die samengesteld door Rochette & Vanhamme,
D'hainaut & Somerhausen). Sommige verzamelingen zijn het resultaat
van een min of meer geschiedkundig initiatief (de getuigenissen
die de Wiener Library in de tweede helft van de jaren vijftig
heeft samengebracht, de interviews afgenomen door de Auschwitz
Stichting). Weer andere bundels danken hun bestaan aan het privé-initiatief
van journalisten die op die wijze iets hoopten te doen tegen het
electoraal succes van het Vlaams Blok, vóór het te laat was. 'De
laatste getuigen' van Luckas Vander Taelen drukt dit kernachtig
uit (al is de titel feitelijk onjuist, er blijven gelukkig nog
vele relatief jonge getuigen over).
Bij de verwerking van de gegevens werden bundels grotendeels buiten beschouwing
gelaten. Egodocumenten in bundels die niet speciaal voor die gelegenheid geschreven zijn, werden uiteraard
wel meegeteld. Ze werden ondergebracht bij de spontane egodocumenten,
als getuigenis in boek. Het boek in kwestie
is weliswaar een bundel, maar in deze bibliografie is bundel een onderverdeling van de categorie niet spontaan.
Bundels werden wél opgespoord en opgenomen. Ze staan immers vol geschiedkundige
en persoonlijke gegevens, in
memoriam bundels bijvoorbeeld bevatten relatief veel informatie
over onderling gedrag en dagelijks kampleven. De kenmerken van
getuigenissen in bundels kunnen ook worden getoetst aan die van
de meer spontane egodocumenten.
Tijd en middelen ontbraken om de vele getuigenissen in tijdschriften en kranten systematisch op te sporen. Vooral in de
eerste naoorlogse jaren ging het om een ware stortvloed. Behalve
met nieuwshonger, informatieverstrekking en sensatiezucht had
dat ook te maken met het feit dat sommige overlevenden beroepsmatig
verbonden waren aan een nieuwsmedium.
[49]
Daarnaast werden ook ontelbare blaadjes verspreid
in kleine oplages en in beperkte kring (b.v. Le
Bagnard d'Honneur, Amicale des P.P. d'Etterbeek) en deden
talloze voordrachten de ronde. Al dit materiaal verzamelen en
repertoriren ware meer dan interessant voor voortgezet onderzoek.
Voor publikaties in tijdschriften van Vriendenkringen zou bijvoorbeeld
nagegaan kunnen worden welke de effecten zijn van de bijzondere
getuigenisprikkel en publikatiemogelijkheid en het speciale publiek
(lotgenoten, insiders) op produktie, inhoud en vorm van de getuigenis.
[50]
Aanvankelijk nam ik alleen uitzonderlijke getuigenissen in tijdschriften
op, onder andere de zeer vroege getuigenissen, afgelegd op een
moment dat nog geen boeken geschreven of gepubliceerd kónden worden.
Uiteindelijk registreerde ik toch alle artikels waarop ik al doende
stootte. Het is een eerder toevallige greep: de artikels die ik
sinds 1980 heb verzameld, aangevuld met wat ik in bestaande collecties
vond. In totaal bevat deze bibliografie 141 egodocumenten verschenen
in tijdschriften en 82 in kranten. Dat is heel wat, maar toch
slechts een klein deel van het geheel. Daarom werd er voor de
telresultaten slechts sporadisch rekening gehouden met deze categorie.
[51]
Ook hier geldt dat het interessant zou zijn
de verschillen met andere gepubliceerde egodocumenten en met de
ongepubliceerde na te gaan (getuigenismoment, karakteristieken
van het getuigen...). Stemt het publikatieverloop overeen met
dat van de andere egodocumenten of wijkt het ervan af?
Getuigenissen op geluids- en videoband
of film werden niet opgenomen. Die welke ik al doende op het
spoor kwam worden vermeld, maar voor de verwerking van de gegevens
werd er geen rekening mee gehouden. Om hierboven aangevoerde redenen
(in de context van getuigenissen 'verteld aan derden') valt te
betreuren dat orale getuigenissen niet systematisch konden worden
opgespoord en verwerkt, maar tijd en middelen ontbraken nu eenmaal.
Geïnteresseerden kunnen dit soort getuigenissen vinden op de Auschwitz
Stichting, het Martin Buber Instituut, het NCWO-II, radio- en
televisiestations, het Joods Museum te Brussel en andere, soms
onverwachte plaatsen.
[52]
2. H E T S A M
E N S T E L L E N V A N H E T
C O R P U S
Eind 1990, toen ik aan deze bibliografie begon, had niemand enig idee over
de omvang van het corpus 'Belgische' ooggetuigenverslagen over
de nazi-kampen. De meest uitgebreide (en zeer vroege) lijst, die
vervat in de algemene bibliografie van het Guldenboek
van de Belgische Weerstand (p. 421-424), omvatte een vijftigtal
egodocumenten over de kampen, maar volledig betrouwbaar was ze
niet.
Le Chant
d'une Ame van
A. Mussche werd weliswaar geschreven in de gevangenissen van Sint-Gillis,
Charleroi en Rheinbach en het boekje werd inderdaad uitgegeven
in 1946, maar het gaat wel over gevangenschap tijdens de eerste
wereldoorlog. Het egodocument van Wanda, Déportée
50.440, werd inderdaad uitgegeven in België (Bruxelles, 1946),
maar het is de tweede editie van het verslag van de Française
Andrée Carliez Lambert de Loulay (over Fresnes, Romainville, Ravensbrück,
Torgau en Abteroda).
[53]
Andere lijsten tellen slechts enkele tientallen titels en zijn evenmin
volledig betrouwbaar. Egodocumenten verschenen bij een buitenlandse
uitgeverij met een bijhuis in België worden alleen daarom al bij
de Belgische ooggetuigenverslagen gerekend, en nu en dan wordt
een buitenlander verkeerdelijk voor Belg aanzien.
Van der Belen bijvoorbeeld neemt Le camp de la mort lente op van Jean-Jacques
Bernard (Bruxelles/Paris, 1945), maar dat is een Frans egodocument
over Compiègne-Royallieu. De Backer & Baronheid nemen Quinze mois à Buchenwald op omdat het volgens hen in 1945 in Gent
werd uitgegeven; Alice Verhamme schreef dit zonder meer af. Het
jaartal is juist maar deze getuigenis van de Fransman Marcel Conversy
verscheen in Genève, een stadsnaam die, wanneer ingekort of slordig
geschreven, aan Gent kan doen denken. Willequet vermeldt "l'étude,
en langue flamande de Cohen (E.A)...", maar Het
Duitse Concentratiekamp is de getuigenis - en psychoanalytische
studie - van een Nederlands overlevende en werd niet uitgegeven
in Antwerpen maar in Amsterdam. 'Desnos R., Dora. Ellrich - Harzungen...',
nummer 2515 in de door Willem Meyers samengestelde bibliografie
[54]
heeft niets te maken met België en werd ook
niet geschreven door de Franse dichter Robert Desnos (gevangene
in Buchenwald en omgekomen in Theresienstadt). Op de kaft van
dit egodocument, geschreven door enkele Fransen die KZ Dora-Mittelbau
overleefd hebben, staat wel een citaat uit een gedicht van Desnos.
Ook in internationale bibliografieën (Kiedrzynska, Malcowná, Devoto...)
worden Belgische getuigenissen verre van volledig en betrouwbaar
weergegeven.
In de bibliografie van de Poolse kampoverlevende
Kiedrzynska (1980) staat onder nummer 810, Eckhout Paul: Achtung, Mützen ab! (Gent, 1945: Dachau). Niet iedereen
zal direct het verband leggen met nummer 3003, Tytgat Jean: Achtung, Mützen ab!, zonder de vermelding Dachau maar
met de vermelding 'verlucht door Paul Eeckhout'. De verwarring
moge dan ontstaan zijn door het voor een Poolse waarschijnlijk
onbegrijpelijke 'verlucht door', maar het gaat wel om één boek
en Paul Eeckhout is geen politiek gevangene. Dit soort 'taalproblemen'
[55]
zorgden voor merkwaardige misvattingen op die
me vaak op het verkeerde been hebben gezet en veel bijkomend werk
hebben bezorgd.
Ook meer recente Belgische lijsten zijn schromelijk onvolledig en niet
altijd betrouwbaar. Een boek dat direct na de oorlog en door een
jood werd geschreven, maakt kennelijk alleen daarom al een behoorlijke
kans opgenomen te worden in een overzicht van geschriften over
de jodenvervolging in België, ook al heeft zijn geschrift daar
niets mee te maken. Dit soort onnauwkeurigheden treft men ook
aan in buitenlandse overzichten. In haar onderzoek naar vroege
egodocumenten geschreven door Fransen
neemt Annette Wieviorka (Déportation
et génocide) alle in het Frans geschreven of vertaalde boeken
op, onder meer die van de 'Belgen' Bernard Klieger en Léon Leloir.
[56]
De bestaande lijsten waren in de beginfase van mijn onderzoek een welkome
hulp, maar ze veroorzaakten veel bijkomend en op het eerste gezicht
vruchteloos werk. Doordat nogal wat bibliografen gewoon van elkaar
afschrijven, zonder zich de moeite te getroosten de werken die
ze vermelden ter hand te nemen, dienen foute gegevens zich aan
als confirmaties waar je niet zomaar omheen kunt. Deze in feite
mythische verwijzingen zijn soms moeilijk te verifiëren of te
ontkrachten. In het Guldenboek
van de Belgische Weerstand bijvoorbeeld (p. 422), wordt Un martyr de Flossenburg, een boek over Maurice Fiévez, toegeschreven
aan een zekere L. Degrouve. Zowel Kiedrzynska als Schwarz namen
deze auteur in hun bibliografie over. Het bleek geen sinecure
om een exemplaar te vinden van Un
martyr de Flossenburg. Toen ik het uiteindelijk kon inzien
(bij de heer Pochet, voorzitter van de Amicale de Flossenbürg),
bleek dat de naam L. Degrouve nergens in of op het boek stond.
Dat sluit natuurlijk niet uit dat hij/zij toch de auteur is. Maar
dat werd nog iets minder waarschijnlijk toen ook navraag in Pont-à-Celles
(waar Maurice Fiévez pastoor was) en bij overlevenden van Flossenbürg,
alsmede onderzoek op het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers niets
opleverde. Daarom heb ik de naam L. Degrouve niet overgenomen.
Un martyr de Flossenbürg
werd gerangschikt op naam van Fiévez, auteur van het in dit boek
opgenomen dagboek.
Ook de Belgische Bibliografie
(Koninklijke Bibliotheek Brussel) is onvolledig. De wet op het
wettelijk depot kwam er pas twintig jaar na het einde van de oorlog
(1965, Staatsblad van 19 januari 1966) en niet alle auteurs volgen de wet
op. Er ontbreken nogal wat boeken die in eigen beheer werden uitgegeven.
Ook in het buitenland gepubliceerde boeken van Belgen worden vaak
over het hoofd gezien. En ook hier worden buitenlandse ooggetuigen
soms voor Belgen aanzien, bijvoorbeeld omdat in de titelbeschrijving
de naam van een Belgische stad voorkomt waar een bijhuis was gevestigd
van de Nederlandse of Franse uitgeverij.
[57]
Mijn hoop veel materiaal te vinden bij Vriendenkringen en overkoepelende
organisaties (de Nationale confederatie van politieke gevangenen
en rechthebbenden bijvoorbeeld) kwam niet uit. Meestal trof ik
slechts een rommelige kast met boeken aan. Er moet onvoorstelbaar
veel verloren gegaan zijn, zeker wat manuscripten betreft. Zo
bleef er bijzonder weinig over van de treintentoonstelling in
vijf spoorwegwagons
[58]
die van 1 juli tot 4 november 1947 rondreisde
in België, Luxemburg en Noord-Frankrijk (mogelijk ook in Nederland).
[59]
Veel meer dan een catalogus met daarin op een
los blad een summiere lijst van 99 kunstwerken, was er niet meer te vinden.
[60]
Op deze lijst staan de namen van Awret, de
Goeye, Ochs, Royen, Salme, Wilchar en een dertigtal anderen, alle
zonder voornaam, wat identificatie niet vereenvoudigde. Uit de
titels van verscheidene kunstwerken blijkt dat het verband met
de gevangenschap soms ver te zoeken was. Waarschijnlijk gaat het
hier om beeldende kunst van zowel krijgsgevangenen, opgeëisten,
verzetslui, politieke als raciale gevangenen. Van enkele kunstwerken
is ook het verband met België zoek.
[61]
Na lang zoeken vond ik in L'Effort
[62]
een kort verslag over deze treintentoonstelling
('Le train-exposition rentre à Bruxelles'). Daaruit blijkt dat
Paul Levy in het inrichtend comité zetelde en dat de tentoonstelling
veel te danken had aan de directie van de nationale spoorwegmaatschappij.
Opzoekingen in het museum van de NMBS (Brussel-Noord) leidden
op dood spoor. Ook Paul Levy herinnerde zich niets bijzonders
meer over de tentoonstelling toen ik er hem in 1993 om vroeg,
ook niet het artikel van zijn hand in nummer 5/6 van L'Effort
(p. 3), gellustreerd met een overzicht van de route die de tentoonstellingstrein
heeft gevolgd.
[63]
In 1991 zag ik op de zetel van de NCPGR een
reeks fotootjes van deze treintentoonstelling, maar daar viel
niets relevants meer uit op te maken. Een deel van de kunstenaars
op de lijst kon ik identificeren. Sommigen nam ik niet op omdat
niets erop wijst dat hun tentoongestelde werk een egodocument
over de kampen is, bijvoorbeeld het beeldhouwwerk Sirene
van Marcel Macken (gevangene in o.m. Breendonk, Vught en Sachsenhausen).
In de meeste bibliotheken die ik heb geraadpleegd, viel met betrekking
tot nazi-kampen en vooral egodocumenten weinig of geen systeem
te ontdekken (vermeldenswaardige uitzonderingen zijn de Wiener
Library in London en het Institut für Zeitgeschichte in München).
Daardoor kon het bijvoorbeeld dat ik pas na drie jaar onderzoek
kennis kreeg van het ooggetuigenverslag van Marcel Malherbe, Souvenirs
de déportation, en wel via een slordige, met de hand geschreven
lijst in het archief van de KZ-Gedenkstätte Dachau. Dit gepubliceerde
egodocument vond ik na enig zoeken toch in de Koninklijke Bibliotheek
te Brussel. De brochure zit gewoon op naam van de auteur maar
ze werd niet, of foutief, opgenomen in de onderwerpscatalogus.
Een paar gevallen bleven ondanks veel zoekwerk onopgelost. Ik geef een
voorbeeld. Volgens sommige bibliografen zou Rob. Cort naast zijn
getuigenis over Breendonk ook nog een brochure over Buchenwald
- het kamp waar hij nadien terechtkwam - hebben geschreven. Dat
zou uitgegeven zijn bij dezelfde socialistische uitgever, J. Vankeerberghen
in Zaventem. Diverse nationale en internationale interbibliothecaire
rondvragen leverden niets op. Uiteindelijk stak ik mijn licht
op in Zaventem, bij verscheidene socialistische militanten die
de oorlog hebben meegemaakt en J. Vankeerberghen persoonlijk gekend
hebben (niemand kon zich Rob. Cort, alias Pierre Delcon, herinneren).
Mijn vraag deed de ronde in socialistische kringen maar meer dan
anderhalf jaar later heeft ze niets concreets opgeleverd. Daarom
besloot ik de tweede getuigenis van Rob. Cort niet afzonderlijk
op te nemen en er verder geen rekening mee te houden.
Het moeilijkst op te sporen waren uiteraard de in het buitenland gepubliceerde
egodocumenten, zeker die in een bundel, bloemlezing of geschiedkundig
werk. Maar zelfs wanneer zo'n egodocument was getraceerd, bleek
het niet altijd mogelijk er meer over aan de weet te komen. Bijvoorbeeld
de getuigenis van een Belgische overlevende die volgens de bibliografie
van Samuel Totten werd opgenomen in de door Gerda Haas samengestelde
bundel, These I do remember. Fragments from the Holocaust.
[64]
Dit boek is niet meer in de handel en bevindt
zich in geen enkele Westeuropese universitaire bibliotheek. Ik
schreef naar de uitgever, naar de Library of Congress (met het
nummer dat het boek daar kreeg) en naar de bibliotheek van het
United States Holocaust Memorial Museum, maar mijn brieven bleven
onbeantwoord. Aangezien ik niet weet om welke getuige en over
welke kampen het gaat, of het een herdruk is dan wel een niet
eerder gepubliceerd egodocument, hield ik er verder geen rekening
mee.
De fase van het verzamelen, die begin augustus 1994 werd afgesloten, slorpte
veel tijd en energie op. Het is mijns inziens ook een van de wezenlijke
onderdelen van het beroep van geschiedkundige (en menswetenschappers
in het algemeen). Een onderdeel dat me vaak aan detectivewerk
doet denken: opsporen en interpreteren van vage indicaties, verbeten
volgen van het kleinste spoor (bijvoorbeeld aankondigingen of
publicitaire verwijzingen op de achterkant van egodocumenten)...
Dat leidt vaker tot frustratie - de ontkrachting van een vermoeden
of hypothese - dan tot het vinden van nieuwe gegevens. Een deel
van die negatieve resultaten is toch even belangrijk als de positieve.
Een falsificatie van een hypothese - een egodocument dat er uiteindelijk
geen blijkt te zijn, een boek dat velen vermelden maar nooit gezien
hebben en waarvan je kunt aantonen dat het nooit bestaan heeft
- is in de Popperiaanse wetenschapsfilosofie die me tot leidraad
dient, op zijn minst even belangrijk als een confirmatie.
Dit alles betekent dat ik zo goed als alle boeken, brochures, artikels
en manuscripten die in deze bibliografie werden opgenomen, in
handen heb gehad. Enkele egodocumenten die ik niet kon raadplegen,
maar waarover geen twijfel kan bestaan, nam ik toch op. Bijvoorbeeld
de reeks egodocumenten over KZ Dora-Mittelbau die Christine Somerhausen
gebruikt heeft voor haar onderzoek (Les Belges déportés à Dora et dans ses kommandos,
1978). Deze bronnen zijn kwijtgeraakt nadat ze werden terugbezorgd
aan de voorzitter van de Belgische Vriendenkring van Dora. De
voorzitter en andere overlevenden van Dora bevestigden uitdrukkelijk
en onafhankelijk van elkaar het bestaan van deze egodocumenten.
[65]
Deze documenten kunnen minstens voorlopig niet
meer geraadpleegd worden, maar ze werden toch opgenomen. Behalve
werkinstrument is deze bibliografie immers ook een repertorium
en een statistisch overzicht van de getuigenisproduktie.
3. V E R W E R K I N G
a. Biografische gegevens
De vele biografische gegevens die ik heb opgespoord in het kader van de
oorspronkelijke prosopografische doelstelling werden niet systematisch
opgenomen. Dat betreur ik ten zeerste. Ik hoop ooit de kans te
krijgen dat materiaal nog grondig te analyseren. Voorlopig levert
een deel van de biografische gegevens toch al wat informatie en
enkele mogelijkheden op voor andere onderzoekers. Behalve de naam
van de auteur van het egodocument wordt bijvoorbeeld ook de (correct
gespelde) naam van de getuige tijdens de oorlog vermeld. De biografische
informatie maakte het ook mogelijk enkele belangrijke extra dimensies
toe te voegen, zoals geslacht van de getuige, jood of niet-jood.
Een ander rudiment van het prosopografisch opzet is de vraag of van bepaalde
gevangenen en overlevenden min of meer verwacht mocht worden dat
ze over hun extreme ervaring zouden schrijven (of tekenen). Dat
is een vraag naar preconcentrationaire determinanten van het getuigen
die - zo luidde de werkhypothese - niet zonder gevolg
zijn voor inhoud en vorm van egodocumenten. De kans dat iemand
die al artikels of boeken geschreven heeft de pen opneemt om over
zijn gevangenschap te berichten, is groter dan dat iemand die
nooit tevoren iets heeft geboekstaafd dat doet. Die kans neemt
nog toe wanneer de getuige journalist is. Hij beschikt dan niet
alleen over de vereiste bekwaamheden, routine en infrastructuur,
maar wordt door de aard van zijn beroep ook gestimuleerd om te
getuigen.
Voor het bepalen van deze categorie (antecedente
publikaties) nam ik noodgedwongen vrede met het beroep van
de getuige: dat vermeld in zijn egodocument (eerder uitzonderlijk),
[66]
dat opgegeven op de SHAEF-kaart of, waar nodig,
dat ingevuld op documenten met betrekking tot een naoorlogse erkenningsaanvraag.
Een enkele keer ontbrak dit alles en dan viel ik terug op het
beroep dat de betrokkene bij zijn internering had opgegeven. Dat
is, zeker wat de kampen betreft, geen al te betrouwbaar gegeven,
gevangenen hadden er belang bij een beroep op te geven waardoor
hun overlevingskansen vergrootten. De bij de repatriring ingevulde
gegevens (SHAEF-kaart) zijn doorgaans betrouwbaarder, al lijdt
het geen twijfel dat sommigen van de gelegenheid gebruik gemaakt
hebben om, met het oog op de toekomst, hun beroepsstatus enigzins
op te vijzelen. Bij bronnen die verband houden met een erkenningsaanvraag,
gaat het om het beroep dat de betrokkene op dat moment, ná de
oorlog dus, uitoefende. Alle beschikbare gegevens werden in elk
geval steeds aan elkaar getoetst.
De tijd ontbrak om dieper te graven. Er kon geen rekening gehouden worden
met het schools opleidingsniveau van de getuigen, behalve waar
dat ter sprake komt in het egodocument zelf. Voor gehuwde vrouwen
die bij hun repatriëring geen beroep hadden opgegeven, was het
beantwoorden van de vraag naar preconcentrationaire 'literaire'
determinanten een delicate kwestie, maar voor dit corpus gaat
het toch om een minderheid.
Bij de evaluatie van getuigeniskans op basis van graad van geletterdheid
vóór de oorlog, ging ik ervan uit dat die kans groter was voor
volgende categorieën: universitairen, klerikalen, leerkrachten,
vrije beroepen, hogere ambtenaren, parlementairen, schrijvers,
journalisten, uitgevers en zij die beroepsmatig betrokken waren
bij de drukkers- en uitgeverswereld (typografen, drukkers, zetters...).
Tussen geletterdheid, getuigenis en publikatie bestaat er natuurlijk geen
dwingend causaal verband. Het getuigen wordt, zoals eerder gezegd,
door nog vele andere factoren bepaald. Een belangrijke determinant
is van politieke aard, de politieke vorming en betrokkenheid van
de getuige. Sommige erudiete personen schreven of publiceerden
weinig of niet over hun gevangenschap of deden het slechts als
erom gevraagd werd (en belandden daardoor in de groep niet-spontane
getuigenissen).
[67]
Sommigen konden niet anders dan de traumatische
ervaring verdringen, anderen hadden geen behoefte aan of geen
tijd om te getuigen, bijvoorbeeld omdat ze te zeer in beslag genomen
werden door academische of politieke bezigheden (deze laatste
lagen overigens niet zelden in het verlengde van hun kampervaring).
Al deze rudimenten (geslacht, 'ras', antecedente publikaties) geven toch
een minimaal beeld van persoons- en groepsgebonden karakteristieken
van het getuigen en de getuigenis.
Inhoudelijke analyse van de egodocumenten viel buiten het bestek van dit
onderzoek. De verzameling egodocumenten moest in eerste instantie
worden samengesteld, beredeneerd, geïnterpreteerd en beschreven.
Pas daarna kon er sprake zijn van systematisch en zinvol inhoudelijk
onderzoek. Maar nu de bibliografie er is, kunnen egodocumenten
met gemeenschappelijke determinanten en kenmerken (bijvoorbeeld
die geschreven door vrouwen in een bepaalde periode, over een
bepaald kamp...) afgezonderd worden om ze te onderscheiden volgens
inhoudelijke kenmerken, overeenkomsten en verschillen. Toch werden
al enkele minimale inhoudelijke criteria verwerkt. De egodocumenten
werden beoordeeld op hun spontaneïteit,
alle erin vermelde of besproken gevangenissen en kampen werden
ingevoerd en de getuigenissen werden ingedeeld volgens enkele
types van vorm en inhoud
(zie p. ...). Op al deze gegevens kon worden geteld, ze konden
onderling en met andere ingevoerde kenmerken verbonden worden.
b. Wie is jood?
Ook al konden de verzamelde biografische gegevens niet volledig verdisconteerd
worden, toch moest op enkele geteld worden, bijvoorbeeld geslacht (man, vrouw) en uiteraard op jood en niet-jood, een categorie die niet weg te denken is uit de tweede wereldoorlog,
het concentrationaire universum en de getuigenissen daarover.
Nadat alle bibliografische gegevens en getuigeniskenmerken waren
ingetikt, vlak voordat met de verwerking van de gegevens werd
begonnen, werden deze categorieën nog aan EGODOC toegevoegd. Deze
kwalificaties (man, vrouw, onbekend; jood, niet-jood, onbekend
- waarbij 'onbekend' meestal verwijst naar anonieme, niet gedentificeerde
auteurs
[68]
) werden voor elk egodocument bepaald en ingevoerd.
Door het late stadium waarin dit gebeurde (alle andere gegevens
waren reeds ingevoerd) kon dat niet meer per auteur. De kwalificaties man, vrouw,
jood en niet-jood werden verbonden aan het egodocument zelf. Voor
die gevallen waar joden en niet-joden, mannen en vrouwen sámen
een egodocument hebben geschreven, werd gekeken naar het relatieve
belang van de individuele getuigenissen of werd rekening gehouden
met het algemeen gemiddelde voor het document. Voor de verwerking
levert dat overigens weinig problemen op, het gaat in die gevallen
bijna steeds om bundels en die werden niet diepgaand doorgelicht.
De categorie 'jood' stelde me voor problemen, het was en is een verre van
ondubbelzinnige notie. Toen én nu is men het er niet over eens
wie eigenlijk jood is. Zelfs de nazi's hadden, niettegenstaande
hun doorwrochte racistische typologie, op het eind van de oorlog
nog steeds geen sluitende oplossing gevonden voor alle gevallen
van 'raciale' diversiteit.
Na veel wikken en wegen besloot ik dat voor egodocumenten het zelfbeeld van de getuige op het moment
van zijn getuigenis de doorslag moest geven. Er wordt dus
niet geteld op mensen die als jood werden opgepakt, maar op mensen
die zichzelf als jood definieerden op het moment dat ze getuigden.
Mensen die als jood werden opgepakt maar zichzelf niet (meer)
als jood zagen, die niet meer direct deelnamen aan een joodse
cultuur,
[69]
een levensstijl of gemeenschap, die daar zelfs
expliciet afstand van hadden gedaan en zich op alle vlakken hadden
geassimileerd, die zich letterlijk en figuurlijk bekeerd hadden;
deze mensen kunnen niet zonder meer als jood worden beschouwd.
Dat de nazi's dat wel deden weten we en dat is voorwerp van geschiedkundig
onderzoek, maar de referentiegroep van mensen wordt niet bepaald
door hun vijand maar door henzelf, hun gedrag en door hun manier
van zijn en denken.
[70]
Sommigen voeren hiertegen aan dat de identiteit die mensen zichzelf toeschrijven
onecht, inauthentiek kan zijn. Dat ze soms een anti-identiteit is, het produkt van (joodse)
zelfhaat, en dergelijke meer. Paul Levy bijvoorbeeld, schreef
na zijn arrestatie (18 september 1940) in de gevangenis van Sint-Gillis
een essay over La question juive (een gewilde verwijzing
naar Die Judenfrage
van Karl Marx), dat hij op 30 oktober dat jaar aan Hendrik De
Man liet bezorgen.
[71]
In dit essay belicht Levy achtereenvolgens
de Duitse, joodse en Franse oplossing van wat destijds vrij algemeen
het jodenvraagstuk werd
genoemd. Vervolgens formuleert hij enkele voorstellen voor een
naoorlogse Belgische oplossing, voorstellen die meer dan vijftig
jaar later als hoogst merkwaardig overkomen. Levy heeft het over
'le racisme de la religion juive', stelt dat er zonder joods racisme
waarschijnlijk nooit een Arisch racisme zou hebben bestaan en
hij voegt hieraan toe dat zijn voorstellen worden ingegeven door
antiracisme. Na de oorlog
zou, vindt hij, de joodse godsdienst minstens tijdelijk verboden
moeten worden, de Belgische nationaliteit zou uitsluitend voorbehouden
moeten zijn voor wie in België geboren is, en huwelijken tussen
joden met elk meer dan twee joods-orthodoxe grootouders moesten
verboden worden.
[72]
Wie hieruit concluderen wil dat Levy dit alles
schreef om een of andere joodse identiteit te verdonkeremanen
of af te zweren, dat dit alles werd ingegeven door joodse zelfhaat,
begeeft zich op het toch wel bijzonder gladde ijs van de dieptepsychologie,
psychoanalyse (afweermechanismen), psychohistory en speculatie.
Natuurlijk kan het perfect dat iemand getuigt uit verzet tegen de groep
waartoe hij heeft behoord of volgens sommigen nog steeds behoort,
maar dat betekent geenszins dat hij getuigt vanuit
de identiteit van de groep waar hij zelf niet (meer) wil bij horen,
en het betekent zeer zeker niet dat zijn nieuwe identiteit 'vals'
zou zijn. Trekt men dergelijke redenering consequent door, dan
zou daaruit volgen dat de meesten onder ons katholiek zijn, met
inbegrip van vrijzinnigen, agnostici en atheïsten. En dat zowel
vanuit religieus-kerkelijk standpunt - de meesten zijn gedoopt
en dat is nog steeds onherroepelijk, als vanuit cultureel standpunt.
Wij groeiden immers op in, en zijn gevormd door, een katholiek-kristelijke
cultuur (of, met de term van Ruth Benedict, een schuldcultuur)
en daar dragen wij de onmiskenbare sporen van. Kennistheoretisch
gezien is dit soort enge classificaties overigens ook tamelijk
onzinnig, men is rap uitgeteld en uitgeklasseerd: eens katholiek
altijd katholiek, eens jood altijd jood. Dat is een zienswijze
die, wat mij betreft, ook te duidelijk herinnert aan het tijdperk
dat aan de basis ligt van de hier samengebrachte egodocumenten.
De historisch bepaalde identiteitscrisis die vele joden in de
negentiende en twintigste eeuw hebben doorgemaakt, is zonder twijfel
meer dan het bestuderen waard maar het is een andere studie dan
onderhavige.
De nazi-categorie jood is een
racistische, biologistische indeling.
De zelfdefiniëring jood
is van religieuze, culturele, nationalistische of politieke aard.
De inhoud van het begrip jood ligt ook niet vast, hij varieert
naargelang de persoon die de term gebruikt, de groep waartoe deze
persoon behoort of zichzelf rekent. Hij verschilt ook volgens
context, plaats en tijd (West- en Oost-Europa, Israël, Verenigde
Staten, voor en na de oprichting van de staat Isral, voor en na
de Jom Kippoer oorlog, voor en na de agressie-oorlog tegen Libanon).
Op de keper beschouwd is jood
een vrij subjectief begrip en gegeven, zeer verschillend bijvoorbeeld
van het objectieve en werkelijk biologisch gegeven geslacht.
Historici die hier geen rekening mee houden lopen gevaar het verleden
uit te rekken of in te korten op het Procrustesbed van het heden,
en de toekomstverwachtingen van de groep waartoe zij behoren of
zich rekenen. Zo bijvoorbeeld Annette Wieviorka die in haar waardevolle
studie Déportation et génocide tussen de regels
lucht geeft aan haar verontwaardiging over het geringe joods bewustzijn
van gedeporteerde Franse joden, die toen en direct na de oorlog
in de eerste plaats Fransen wilden zijn en zich wilden assimileren.
Haar verontwaardiging is een projectie van hedendaagse waarden
in het verleden, het is anachronistische geschiedschrijving.
[73]
Het object van de geschiedschrijving is wat
geweest is, niet wat had moeten zijn.
Maar slachtoffers van de jodenvervolging die zichzelf niet als joden zagen,
werden toch maar als joden
vervolgd, opgepakt, gedeporteerd en uitgeroeid. Dát ligt toch
aan de basis van gevangenschap en getuigenis daarover? Zonder
twijfel, maar voor een indeling van die egodocumenten is dat een
te wankele basis. Het zou bijvoorbeeld inhouden dat joden die
als verzetsstrijders en niet als jood werden gearresteerd, moeten
worden ondergebracht bij de niet-joden, waardoor zou worden voorbijgegaan
aan het feit dat bij velen hun joods bewustzijn de motor was van
de verzetsactiviteit én getuigenis achteraf. Overigens was het
feit dat de nazi's hen meestal onderbrachten in de categorie terrorist
of jüdischer Schutzhäftling, zeg maar politiek
gevangene, ook niet van belang ontbloot. Paradoxaal genoeg behoedde
dit de betrokkenen vaak voor deportatie naar een uitroeiingskamp.
Andere joodse gevangenen slaagden erin hun joodse identiteit verborgen
te houden voor de nazi's, maar getuigden later toch vanuit een
joodse motivatie of inspiratie. Moeten die egodocumenten dan bij
de niet-joodse gerekend worden?
Volgt men de nazi-classificatie, dan moeten ook zogenaamde half-joden en
kwart-joden als joden worden beschouwd, ook al hadden vele van
de aldus bestempelde mensen nooit tevoren stilgestaan bij wat
anderen als een 'joodse identiteit' zien. Het jood-zijn, de vervolging,
de gevangenschap en de deportatie, kwamen voor de meesten als
een complete verrassing, een onvatbare catastrofe. Voor enkelen
vormde de stigmatisering de katalysator voor directe of uitgestelde
vorming van een joodse identiteit (en niet: bewustwording), een
proces dat niet zelden werd ingezet of afgerond door middel van
een getuigenis.
Samuel (Charles) Stehman bijvoorbeeld werd geboren in een joodse familie
die in 1880 uit Rusland naar België migreerde. Toen hij in 1933
eenentwintig werd, liet hij zich clandestien dopen. Drie jaar
later trad hij toe tot de orde der Benedictijnen. Tijdens de oorlog
volgde hij een priesteropleiding. Hij moest geen jodenster dragen
maar deed het toch, uit protest. Vervolging en discriminatie van
de joden - niet alleen door de Duitsers, het feit dat zijn vader
de Belgische nationaliteit werd geweigerd kreeg achteraf ook een
bijzondere betekenis - wakkerden bij hem joodse identificatie
en de vorming van een joodse identiteit aan.
[74]
Die identiteit kaderde Stehman in zijn verbondenheid
met het bijbelse Israël. In 1942 werd hij een eerste keer gearresteerd,
samen met twee andere joodse monniken (Jacobus Van Tyn en Heinrich
Hamburger). Dank zij bemiddeling van het Hof en kardinaal Van
Roey kwamen de drie weer vrij. Midden 1944 werd Stehman een tweede
keer aangehouden, wegens anti-Duitse brieven en hulp aan joden.
Hij kwam onder andere terecht in Buchenwald, Blankenburg en Dora,
maar werd nimmer bij de joodse gevangenen ingedeeld.
[75]
Na de oorlog keerde hij naar het klooster terug
en werd priester gewijd. Zijn eerste dopeling was zijn moeder,
die gezworen had zich te zullen bekeren als haar zoon de kampen
overleefde. In 1959 vestigde Stehman zich in Israël, waar hij
een atelier van gewijde kunst opende en zich toelegde op de joods-christelijke
dialoog. De ondertitel van zijn egodocument geeft de strekking
ervan goed weer: Un juif
rencontre le Christ. Ik rekende het bij de joodse egodocumenten,
niettegenstaande het feit dat zelfs de nazi's Stehman nooit als
jood gezien of behandeld hebben.
Een ander interessant voorbeeld is Albert Frank-Duquesne, geboren uit een
joodse moeder en vader (deze laatste had zich bekeerd tot het
katholicisme). Voor de oorlog trad Frank toe tot verscheidene
'katholieke' sektes en hij werd priester in een occulte beweging.
Tijdens de bezetting weigerde hij zich als jood te laten inschrijven.
Hij werd gearresteerd omdat hij in een brief, die aan de Gestapo
werd doorgespeeld, Hitler (én Stalin) had 'beledigd'. Hij werd
in Breendonk opgesloten.
[76]
Op een formulier van de 'Association Nationale
des Rescapés de Breendonck' schreef Albert Frank-Duquesne kort
na de oorlog, dat hij in Breendonk het rode kenteken van de politiek
verdachten droeg (DDO-dossier 39918). Enkele passages in zijn
ooggetuigenverslag wijzen erop dat hij als jood werd gecatalogiseerd.
Hij werd, schrijft hij, tijdens zijn gevangenschap geselecteerd
als het prototype van Rassenjude
en werd door een reporter van Signal
gefotografeerd als symbool van "la sale race qui prétend
dominer l'Europe!".
[77]
Paul M.G. Levy, zijn medegevangene in Breendonk,
is formeel: Albert Frank droeg er net als hijzelf het gele kenteken
voor joden.
[78]
In 1947, toen Franks eerste boek als katholiek
auteur verscheen, voegde hij aan zijn familienaam Duquesne toe,
de niet-joodse naam van zijn vrouw, waarmee hij sedert 1924 getrouwd
was. Zijn egodocument, waarin niet het minste spoor van joods
bewustzijn te ontdekken valt,
[79]
werd niet bij de joodse geteld.
Jean Améry had een joodse vader maar werd katholiek grootgebracht. De jodenvervolging
waar ook hij het slachtoffer van werd, zorgde ervoor dat deze
agnosticus uiteindelijk koos voor een joodse identiteit. Eén van
de hoofdstukken van zijn egodocument, Jenseits
von Schuld und Sühne, gaat over de noodzaak én de onmogelijkheid
jood te zijn ('Über Zwang und Unmöglichkeit Jude zu sein'). Améry
werd als jood meegeteld.
De afwijzing van de racistische indeling van de nazi's gebeurt niet op
morele of ideologische gronden, maar om wetenschappelijke en pragmatische
redenen. Wie geschiedkundige
gebeurtenissen en feiten bestudeert, in casu de jodenvervolging
door de nationaal-socialisten in België, kan moeilijk anders dan
de nazi-classificatie volgen; doet hij dat niet dan zouden vele
aspecten ervan niet doorgrond of verklaard kunnen worden. Historici
zullen wél af en toe voor een dilemma staan, zoals gezegd geraakten
zelfs de nazi's nooit helemaal wijs uit hun classificatiesysteem.
Soms zal de historicus knopen moeten doorhakken met de botte bijl
van eigentijdse, politiek en ideologisch gekleurde preferenties.
Wie egodocumenten over historische
gebeurtenissen en feiten bestudeert, geschriften vanuit en over het ego
dat aan die gebeurtenissen onderworpen werd en ze méé-maakte,
moet een andere optiek hanteren.
[80]
Egodocumenten zijn ervaringsberichten, ze gaan
in eerste instantie en onontkoombaar over ervaren
gebeurtenissen, pas in tweede instantie over de historische gebeurtenissen
zelf. Het gaat om beleefde
gebeurtenissen, belevenissen, lotgevallen, het wedervaren van
getuigen, wat en hoe ze hebben ervaren. Waarneming en interpretatie
kregen samen met de extreme ervaring gestalte en ze evolueren
samen met de verwerking van die ervaring. Ze waren en zijn een
functioneel onderdeel van de ervaring en de verwerking. Ook de
feiten en gebeurtenissen in kampverslagen zijn dus onvermijdelijk
wat gekleurd door de beleving.
[81]
De feiten en gebeurtenissen kunnen maar enigszins
objectief beoordeeld worden door ze te filteren door de specifieke
ervaring van de getuige. Daarom is kennis nodig over specifieke
ervarings-, interpretatie- en getuigeniswijzen. Zoals bijvoorbeeld
de invloed van zelfperceptie op het moment van de ervaring én
op het ogenblik van de getuigenis. Dank zij die kennis kan een
stuk van de omgekeerde weg worden afgelegd. Dan kunnen de gerapporteerde
gebeurtenissen iets minder ervaringsgebonden worden benaderd.
Absolute objectiviteit is wat egodocumenten en menswetenschappen
betreft natuurlijk ten enenmale uitgesloten. Het is daarmee gesteld
als met de schillen van een ui: haalt men alle ervaringen weg
dan blijft er niets over. Voor het wetenschappelijk doorlichten
van een verzameling egodocumenten wegen sociologische of sociaal-psychologische
categorieën in elk geval vaak zwaarder door dan geschiedkundige
overwegingen.
Dat er ondanks de ingewikkeldheid en betwistbaarheid van dit soort classificaties
tóch geteld werd op jood
en niet-jood, heeft
onder meer te maken met de prosopografische doelstelling van mijn
onderzoek, de poging om klaarder te zien in getuigenisprocessen,
-kenmerken en -inhouden. De verwachting was namelijk dat de in
wezen subjectieve bewustzijnscategorieën
jood en niet-jood aan de basis liggen van betekenisvolle
verschillen qua getuigenisgedrag en getuigenisinhoud. Volgt men
de nazi-classificatie dan worden die verschillen, of een deel
ervan, verdonkeremaand en worden sommige conclusies scheefgetrokken.
Door bijvoorbeeld egodocumenten van mensen die zichzelf niet als
jood zagen bij de joodse groep te tellen, introduceert men ruis
in het onderzoeksmateriaal. Het wordt dan moeilijker of zelfs
ondoenlijk om eventuele verbanden tussen joods getuigenisgedrag
(óf men getuigt, wanneer en hoe men dat doet) en bijvoorbeeld
gebeurtenissen in het Midden-Oosten na te gaan. De getuigenissen
van 'joden' die zichzelf als niet-jood beschouwen, die zich katholiek,
protestant (Jacques Ochs), communist, westerling, Europeaan...
noemen, zijn ingebed in een andere cultuur en betekeniswereld,
in een andere denk- en zijnswijze dan die van mensen die zichzelf
nadrukkelijk als jood profileren. Ze worden door andere stimuli
tot getuigen gebracht. Rekent men deze 'niet-joden' toch bij de
joden, dan verduistert men het zicht op mogelijk specifieke 'joodse'
stimuli die een weerslag hebben op de wijze waarop ervaringen
en gebeurtenissen worden geïnterpreteerd en gerapporteerd.
De beslissing om bijvoorbeeld Paul Levy zijns ondanks als jood te beschouwen,
zou niet geringe gevolgen hebben voor bepaalde conclusies over
Belgisch-joodse getuigenissen. Van Paul Levy vond ik elf egodocumenten
terug voor de periode 1943-48 (twee daarvan onder het pseudoniem
Jean Van Elsene), één voor de jaren vijftig, vier voor de jaren
zestig, twee voor de jaren zeventig, vijf voor de jaren tachtig
(plus één dat ik niet dateren kon en nog drie vroege manuscripten).
Daaraan moeten nog de vele edities worden toegevoegd van Een getuige - Het fort van Breendonk, onder
redactie van Paul Levy (vier voor de jaren zestig, één voor de
jaren zeventig, twee voor de jaren tachtig). In de jaren zeventig
schreef hij nog een getuigenis, een uitvoerig woord vooraf voor
de Franstalige versie van Het boek der kampen van Ludo Van Eck. Telt
men al deze egodocumenten bij de joodse, dan zou het aantal joodse
ooggetuigenverslagen over Breendonk en het aantal vroege Belgisch-joodse
getuigenissen drastisch vermeerderd worden. Het aantal joodse
getuigenissen in de jaren zestig en zeventig - cruciale jaren
wat betreft eventuele invloeden van gebeurtenissen in het Midden-Oosten
op getuigenisgedrag van joden - zou met liefst twaalf eenheden
verhoogd worden en dat zou tot ernstige vertekeningen leiden.
Dat Paul Levy getuigde en zoveel getuigde, heeft veel meer te
maken met zijn beroep voor en na de oorlog (radioreporter) en
met het feit dat hij lange tijd voorzitter is geweest van de raad
van bestuur van het Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk.
Het volgen van de historisch bepaalde nazi-categorieën vertekent
dus het onderzoek naar mogelijke invloeden van maatschappelijke
en politieke ontwikkelingen op getuigenisgedrag en getuigenisinhoud,
bemoeilijkt met andere woorden objectief onderzoek van egodocumenten.
Met betrekking tot de zelfdefiniëring, de identiteit, ging ik in de eerste
plaats voort op het egodocument van de getuige, een expliciet
standpunt over zijn identiteit of, waar dat ontbrak, de inhoud
of de context waarin het geschreven of gepubliceerd werd (bijvoorbeeld
een bundel verhalen van joodse overlevenden die werd uitgegeven
in Israël). Waar inhoud en context geen uitsluitsel boden, baseerde
ik me op wat met zekerheid kon worden afgeleid uit de persoonlijke
dossiers op het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers.
c. Verwerking van de gegevens
De opgezochte gegevens werden ingevoerd in de computer om erop te tellen,
met het doel een begin van antwoord te geven op tal van interessante
vragen. Welk is de spreiding van de egodocumenten doorheen de
tijd? Welke zijn de piekmomenten, in het algemeen, voor bepaalde
kampen? Vallen die samen met de rituele, grote herdenkingsdata?
Zijn er ook andere, politieke invloeden te bespeuren? Hoe verhouden
getuigenissen van bepaalde groepen van overlevenden (b.v. joden
en niet-joden) zich doorheen de tijd? En hoe staat het met de
verhouding tussen gepubliceerde egodocumenten en manuscripten?
Wat was het publiceren waard en wat niet? Veranderde dat in de
loop van de tijd en, zo ja, hoe? Welke rol speelden hierbij inhoud
en vorm van de getuigenis, het opleidingsniveau van de getuigen,
hun maatschappelijke positie, hun leeftijd? Hoe verhoudt de produktie
van egodocumenten zich tegenover andere tijdgebonden fenomenen?
Welke is, met andere woorden, de sociale, geografische, temporele
en politieke bepaaldheid van het getuigen?
Voor elk egodocument werden de gevangenissen, kampen en kommando's ingevoerd
waarover wordt getuigd. Ze worden bij elk egodocument vermeld
en in het register van kampen, kommando's en gevangenissen staan
alle reeksnummers van de getuigenissen waarin ze ter sprake komen.
Voor de systematische verwerking van de gegevens, om bijvoorbeeld
zicht te krijgen op de evolutie van getuigenissen over een bepaald
kamp (Dachau b.v.), moesten de kommando's (Allach b.v.) worden
gekoppeld aan het kamp waar ze van afhingen (in casu Dachau).
Alle gevangenissen, kommando's en kampen waarover wordt getuigd,
werden ingetikt in een autoriteitslijst
(in EGODOC). In die lijst werden alle vermelde kommando's verbonden
met hun hoofdkamp. Volledig sluitend kon dat niet altijd. Bepaalde
kommando's werden immers op een bepaald moment administratief
verhuisd van het ene naar het andere concentratiekamp en enkele
kommando's werden vanaf een bepaald tijdstip autonome concentratiekampen.
Belzig bijvoorbeeld, was aanvankelijk een kommando van het Frauenkonzentrationslager
Ravensbrück, maar het werd in oktober 1944 ondergebracht bij KZ
Sachsenhausen. Op het eerste gezicht lijkt dat weinig meer dan
een administratieve fictie, maar voor de gevangenen waren er wel
concrete gevolgen. Om te beginnen kregen ze een nieuw interneringsnummer
dat ze op hun kleding moesten naaien
[82]
en, veel belangrijker, ze vielen voortaan onder
het gezag van een andere kampcommandant en dat kon een verregaande
invloed hebben op de levensomstandigheden. Om te bepalen bij welk
hoofdkamp een getuigenis over Belzig moest worden geteld, moest
telkens rekening gehouden worden met de periode waarin de getuige
er opgesloten zat. Ook dat lukte niet altijd. De getuigenis van
mevrouw Cosijns-Moiese bijvoorbeeld, kon ik niet plaatsen omdat
ik over deze getuige geen precieze gegevens vond. Uiteindelijk
heb ik haar egodocument ondergebracht bij Ravensbrück, Belzig
wordt immers meestal als een kommando van dit vrouwenkamp beschouwd.
Met het oog op systematische analyse werd voor elk egodocument ook ingevoerd
of het tijdens de gevangenschap werd gemaakt, intra muros, of nadien, extra
muros. Egodocumenten die na de bevrijding in het kamp werden
vervaardigd, in afwachting van de repatriëring, kwamen niet in
gevangenschap tot stand en werden daarom bij de categorie extra
muros gerekend.
Ongedateerde documenten (ongepubliceerde en gepubliceerde) werden in de
mate van het mogelijke gedateerd, desnoods bij benadering. De
getuige, zijn nabestaanden of zijn uitgever werden gecontacteerd,
vermeldingen in bibliografieën en tijdschriften van Vriendenkringen
werden nagetrokken, de tekst van het egodocument werd uitgekamd.
Met het oog op systematische verwerking werden reeksen getuigenissen
(tekeningen, gedichten) globaal gedateerd. Ze kregen het jaartal
van het kalenderjaar waarin de getuige het langst in het kamp
in kwestie gezeten heeft. Een ongedateerd egodocument van bijvoorbeeld
een gevangene die van eind 1943 tot midden 1945 in hetzelfde gevangenisoord
zat, werd ondergebracht bij het jaar 1944, ook al omdat dit jaar
waarschijnlijk determinerend moet zijn geweest voor de kampervaring
van deze getuige.
Het moment van redactie of publikatie kon in enkele gevallen niet of slechts
bij benadering worden vastgesteld. Waar ik zekerheid had over
decennium of lustrum waarin de getuigenis tot stand kwam, werd
voor de getalsmatige analyse van dit corpus als jaartal het eerste
jaar van dat decennium of lustrum ingevoerd. Om het verloop van
de getuigenisproduktie te kunnen nagaan (publikatiegolven bijvoorbeeld),
werden ook de heruitgaven apart ingevoerd.
[83]
Sommige boeken en manuscripten bevatten zeer verschillende egodocumenten
van dezelfde getuige, bijvoorbeeld een intra
muros getuigenis opgenomen in een na de oorlog geschreven
en gepubliceerd boek. Ze werden, omwille van hun afzonderlijk
belang en voor de gegevensverwerking, apart ingevoerd. Getuigenissen
opgenomen in het egodocument van een medegevangene, werden vanzelfsprekend
eveneens afzonderlijk ingevoerd.
Wat kampiconografie betreft (tekeningen, schilderijen...) was het voor
bepaalde produktieve auteurs niet doenlijk álle werken afzonderlijk
te vermelden en als afzonderlijke eenheden te tellen (Jacques
Ochs en René Salme bijvoorbeeld). De tekeningen werden ingedeeld
in groepen, volgens thema, genre of getuigenismoment (intra en
extra-muros bijvoorbeeld).
Voor de interpretatie van het corpus werden alle egodocumenten beoordeeld
op een aantal getuigeniskenmerken.
Op al deze kenmerken kon worden geteld en konden in principe onderlinge
correlaties worden nagegaan. Die getuigeniskenmerken zijn: intra
of extra-muros, getuigenismoment, gepubliceerd of niet, moment
en wijze van publikatie (eigen beheer, postuum), de taal waarin
de getuigenis gesteld is, of het om een vertaling gaat, aantal
bladzijden, spontaan of gesolliciteerd, getuigenisvorm, getuigenisinhoud
en tot slot de gevangenissen, kampen en kommando's die in het
egodocument aan bod komen. Hieraan werden een aantal kenmerken
van de getuige toegevoegd: man/vrouw, jood/niet-jood en graad
van vooroorlogse geletterdheid.
Volgende getuigenisvormen werden
onderscheiden: affiche, brief, dagboek, film, foto, gedicht, gebruiksvoorwerp,
interview, lied, maquette, pop, roman, schilderij, tekening, toneelstuk,
verslag, voordracht. Voor de getuigenisinhoud
bestond de keuze uit: afscheid, arrestatie, bevrijding, evacuatie,
getuigenis over medegevangene, kampervaring, kampgebeurtenis,
kampgeschiedenis, levensverhaal, medische ervaring, ontsnappingsverhaal,
oorlogsverhaal, over de terugkeer, theoretische beschouwingen,
niet over gevangenschap.
[84]
Afscheidsbrieven werden niet meegeteld, het zijn bijzondere egodocumenten,
bestemd voor geliefden en bijna steeds beperkt tot het ultieme
afscheid. Ze gaan zelden over de gevangenschap (waar dat wel het
geval is, werden ze meegeteld), ze hebben meer van doen met het
leven voordien dan met de gevangenschap zelf, de klemtoon ligt
op afscheid, geruststellen, danken en soms onderrichten van degenen
die achterblijven. Het is een aparte categorie die afzonderlijk
bestudeerd moet worden (eventueel door vergelijking met andere
egodocumenten). Onder meer daarom worden de afscheidsbrieven die
ik gaandeweg vond toch vermeld.
Toen duidelijk werd dat het tellen van de ingevoerde gegevens veel tijd
in beslag zou nemen en dat sommige telresultaten onoverzichtelijk
dreigden te worden, voegde ik op de valreep nog een categorie
toe, type egodocument. Voor elk egodocument werd ingetikt of het ging om
een boek of brochure,
een ooggetuigenverslag in boek of brochure,
een getuigenis in een tijdschrift,
krant, sluikblad of een ongepubliceerd
document. Getuigenissen waarop niet zou worden geteld, kregen
géén type mee: brieven, juridische getuigenissen, rapporten, getuigenissen
op geluidsband en egodocumenten in bundels.
Vervolgens deelde ik het corpus in vier grote blokken in:
- gepubliceerde boeken en brochures, plus egodocumenten in boeken en brochures
[85]
- ongepubliceerde egodocumenten
[86]
- egodocumenten in tijdschriften, kranten en sluikbladen
- egodocumenten in bundels, afscheidsbrieven, juridische getuigenissen,
getuigenissen op geluidsband en rapporten.
Door een misverstand met Patrick Temmerman werden het derde en vierde blok
gegroepeerd en dat werd me pas duidelijk toen de tellingen al
bijna afgerond waren. Hierdoor konden bundels alleen nog door
middel van ingewikkeld denk- en knutselwerk in Excel
(het programma waarmee de tellingen werden verwerkt
[87]
) van de rest worden afgezonderd. Handmatig
konden de bundels toch enigzins doorgelicht worden maar een nauwkeurig
antwoord op een aantal interessante vragen, die aan de basis lagen
voor het invoeren van deze speciale categorie, was niet meer mogelijk.
Uiteindelijk kon er dus geteld worden op drie blokken én op het globale
corpus. Globale tellingen werden tot een strikt minimum beperkt,
ze waren al te tijdrovend en van zodra meerdere verbanden werden
gelegd, werden ze ook volkomen onoverzichtelijk. In feite werd
er in hoofdzaak geteld op het eerste en tweede blok: gepubliceerde
egodocumenten in boek of brochurevorm en ongepubliceerde egodocumenten (zie Tabel I, p. ..). Het waren ook
deze groepen die ik, om redenen die reeds uitvoerig werden uiteengezet,
speciaal wou doorlichten. Andere tellingen gebeurden min of meer
in de marge van deze oorspronkelijke doelgroep.
Nadat de tellingen waren uitgevoerd, werden nog enkele minimale wijzigingen
aangebracht. Tijdens het tellen
[88]
werden de ingevoerde gegevens immers een laatste
keer nagezien en een aantal kleine onjuistheden werd nog rechtgezet.
Het effect van deze minimale onjuistheden op de telresultaten
en de daarop gebaseerde conclusies is verwaarloosbaar.
Sommige telresultaten kunnen in het huidige stadium van onze kennis nog
niet goed geïnterpreteerd worden. Bijvoorbeeld de verhouding tussen
egodocumenten in het Frans en in het Nederlands.
[89]
Doorgaans stemt de taal van het egodocument
overeen met de administratieve taalgroep van de getuige. Maar
niet altijd, aan Vlaamse zijde hebben enkelen in het Frans of
het Engels getuigd. Wat taalverhoudingen betreft is het niet uitgesloten
dat een belangrijk gegeven aan onze aandacht ontglipt, een factor
die buiten het feitelijk getuigen ligt, met name de verhouding
tussen Franstalige en Nederlandstalige 'Belgen' in bepaalde gevangenissen
en kampen. Het feit dat over een bepaald gevangenisoord naar verhouding meer getuigd is in bijvoorbeeld het Nederlands,
[90]
kan gewoon een gevolg zijn van de oververtegenwoordiging
van Vlamingen in dat oord. Dit soort vraagstukken kon ik niet
oplossen. Het onderzoek naar de brede sociale en historische context
waar de egodocumenten in kaderen, de groep van Belgische en uit
België gedeporteerde gevangenen, staat immers nog in zijn kinderschoenen.
[91]
Hetzelfde geldt voor de ruimere, internationale context. De onderzoeksresultaten
van deze bibliografie kunnen nog niet getoetst worden aan die
van andere nationale corpussen of de internationale verzameling
egodocumenten over de nazi-kampen, die zijn namelijk nog steeds
niet samengesteld.
[92]
4. B E P E R K I N G E N
E N O N V O L L E D I G H E D E N
Dit boek is de eerste nationale bibliografie in zijn soort, een systematische
en analytische bron-bibliografie van egodocumenten over de nazi-kampen.
Vijftig jaar na de gebeurtenissen is er nu eindelijk een zo volledig
mogelijke lijst van de 'Belgische' ooggetuigenverslagen. Die verzameling
omvat:
507 getuigenissen in boek- of brochurevorm, 324 ongepubliceerde egodocumenten,
373 ooggetuigenverslagen in bundels, 141 in tijdschriften, 82
in kranten en nog 108 andere (zie Tabel I hieronder).
[93]
Dit instrument staat nu ter beschikking van
het publiek en de historici. In de leeszaal van het NCWO-II zal
on line in de bibliografie
gezocht kunnen worden. Het volstaat dan om - zoals voor het bibliotheekprogramma
VUBIS - een auteur, kamp, gevangenis of woord uit titel in te
tikken om bepaalde getuigenissen op te sporen, bijvoorbeeld alle
egodocumenten over een bepaald kamp.
[94]
De bibliografie is in bepaalde opzichten uiteraard beperkt en onvolledig
(terloops werden al enkele tekorten aangestipt). Bijna al deze
gebreken kunnen later hersteld worden. Hun opsomming kan worden
gezien als een aanvulling op suggesties voor voortgezet onderzoek
die al gedaan werden en nog zullen volgen in het hoofdstuk Tellingen.
De verzameling werd begin augustus 1994 afgesloten en de gegevens voor
dit jaar zijn dus onvolledig. Er staan weliswaar enkele documenten
van latere datum in (zelfs van 1995), maar dat komt doordat ik
persoonlijk betrokken was bij hun publikatie.
Dat de verzameling moest worden afgesloten vóór de vijftigste verjaardag
van de bevrijding uit de kampen valt te betreuren, maar er was
geen zinvol alternatief. Mijn opdracht bij het NCWO-II liep normaliter
ten einde op 1 november 1994, maar ook zonder dit feit had zich
een keuze opgedrongen: ofwel een studie waarin ook gegevens over
het herdenkingsjaar waren verwerkt (een studie die dan ten vroegste
in de tweede helft van 1996 het daglicht had kunnen zien), ofwel
een publikatie in het jaar waarin veel aandacht gaat naar de nazi-kampen
en egodocumenten. Dat is, me dunkt, geen moeilijke keus: na vijftig
jaar is het de hoogste tijd om de lijst ter beschikking te stellen
van het publiek. De vijftigste verjaardag zal hoogstwaarschijnlijk
een piek aan publikaties opleveren,
[95]
maar te vrezen valt dat nadien de belangstelling
voor het concentrationaire universum minstens tijdelijk zal afnemen.
[96]
Tot de laatste dag vond ik nog ongepubliceerde egodocumenten. Dat kan alleen
maar betekenen dat er nog veel manuscripten zijn die ik niet gevonden
heb, geschriften die ergens op een zolder of in een lade in vergetelheid
geraakt zijn.
[97]
Sommige daarvan weet ik zitten maar ik kon
of mocht ze niet inkijken, mocht of kon ze niet vermelden. Tijd
en geld ontbraken om alle materiaal in Israël en de Verenigde
Staten te repertoriëren en in te zien.
[98]
Enkele overlevenden en nabestaanden weigerden,
dikwijls na rijp beraad, elke medewerking (bijvoorbeeld Henri
Pâques en de weduwe van Julien Lievevrouw). De rapporten van kampoverlevenden
in persoonlijke dossiers van het Onafhankelijkheidsfront mocht
ik niet inzien. Ik kreeg geen toelating om het materiaal in te
zien dat berust op de Service International de Recherches in Arolsen.
Ronald Linthout die het 'ultieme boek' over Breendonk aan het
schrijven is, weigerde me inzage te verlenen in twee manuscripten
die ik nergens elders vond (Hans Luteraan - Breendonk-Buchenwald
& Alois Vervecken - Mijn
wedervaren). Uit dit alles concludeer ik alleen dat de bereidheid
van velen om wel mee te werken des te meer waardering verdient.
Deze onvolledigheid moet niet overschat worden. De hier samengebrachte
ongepubliceerde egodocumenten vormen een representatief staal.
De collectie is wel het resultaat van een eerder toevallige,
[99]
maar geen willekeurige greep. De selectie werd
bepaald door mijn persoon en mijn referentiegroep, door het moment
waarop de verzameling werd aangelegd, door wat in de bezochte
bibliotheken te vinden was en wat aan het licht kwam als respons
op oproepen die ik heb gelanceerd.
[100]
De samengebrachte manuscripten zijn ongetwijfeld
relevant voor bijvoorbeeld de verhouding tussen mannelijke en
vrouwelijke getuigen, joden en niet-joden, kampen en dies meer.
Het corpus is natuurlijk ook onvolledig omdat nog vele egodocumenten geschreven
zullen worden. Er zijn nog altijd relatief jonge overlevenden.
Zij die als adolescent werden genterneerd zijn nu een stuk in
de zestig of zeventig. Een leeftijd waarop maatschappelijk gezien
een meer teruggetrokken leven begint, waarin men over meer tijd
beschikt en ook meer geneigd is om het verleden aan bod te laten
komen, te herdenken en te beschouwen.
[101]
Maar er blijven natuurlijk steeds minder getuigen
over en het aantal nieuwe egodocumenten kan alleen maar dalen.
Eén ding is evenwel zeker, zolang er overlevenden zijn zal er
getuigd worden. Aan hen zal het niet gelegen hebben!
[102]
Mogelijk zijn ook enkele gepubliceerde
egodocumenten aan mijn aandacht ontsnapt, boeken en brochures
uitgegeven in het buitenland bijvoorbeeld. Door ervaring wijs
geworden, maak ik me daarover geen illusies meer.
[103]
Zo kreeg ik pas na drie jaar systematisch en
verwoed opsporingswerk voor het eerst kennis van de brochure van
Léon Leemans, Récit d'un rescapé de Breendonk (ik kwam het op het spoor door lektuur
van het egodocument van Jules Triffet). En op de meest verrassende
plaatsen, het Auschwitz-museum in Polen bijvoorbeeld, vond ik
boeken van Belgische overlevenden waarvan ik in België geen spoor
gevonden had.
Het overzicht van de getuigenisproduktie dat deze bibliografie biedt, is
in bepaalde opzichten ook onvolledig ten gevolge van de noodzakelijke
gebiedsafbakening. Niet gerepertorieerd werden: pers- en radioconferenties,
interviews (vele honderden in de eerste naoorlogse jaren), debatten
op radio en televisie,
[104]
talloze voordrachten,
[105]
brieven en kaarten die gedeporteerden naar
huis stuurden.
[106]
Het zou ongetwijfeld nuttig en leerrijk zijn
al deze getuigenissen in kaart te brengen, alleen al omdat ze
andere relevante informatie kunnen bevatten, maar zeker ook voor
de systematische bestudering van correspondentie uit gevangenissen
en kampen.
[107]
Dat is in elk geval een werk van lange adem
en voor een ploeg onderzoekers.
Er werd geteld op egodocumenten, niet op auteurs. Daardoor kon het effect
van een hoge produktie van bepaalde auteurs niet volledig uitgeschakeld
worden. Bij het concipiren van het analyserooster vergat ik met
deze mogelijkheid rekening te houden, en eens het computerprogramma
vervaardigd (elk egodocument werd als een afzonderlijk record
met een eigen recordnummer ingevoerd en verwerkt) bleek het al
te ingewikkeld om er nog een mouw aan te passen.
Aspecten van ongepubliceerde egodocumenten worden vergeleken met die van
gepubliceerde (produktie per periode, geslacht...). Daarbij kon
jammer genoeg geen rekening gehouden worden met de vraag of een
bepaald auteur van een manuscript voor- of nadien ook een egodocument
had gepubliceerd. Ook deze vraag kwam pas in me op toen het computerprogramma
al was geschreven en bijna alle egodocumenten waren ingevoerd.
Voor het uitwerken van enkele voorbeelden (zie hieronder 'Mechelen
- Auschwitz') werd het werk handmatig gedaan, maar dat was een
hele klus.
Omwille van het onderzoek werden enkele ongepubliceerde egodocumenten die
vele jaren later werden uitgegeven toch apart ingevoerd. Een betreurenswaardig
neveneffect daarvan was dat ze zowel bij de ongepubliceerde als
de gepubliceerde werden meegeteld.
[108]
De dubbele functie van deze bibliografie, werkinstrument
en studie, voorwerp van interpretatie en onderzoeksvoorwerp, speelde
me dus soms parten.
Het tweede deel van de inleiding tot Getuigen,
over de resultaten van de tellingen, met veel tabellen, dient
geraadpleegd in het boek zelf.
Getuigen
- digitaal, databank
In
deze digitale versie kan gezocht worden op auteur, kamp, gevangenis,
commando, titel of woord uit titel. Op die manier kunnen bijvoorbeeld
alle ‘Belgische’ egodocumenten over een bepaald kamp worden opgespoord.
Gebruik
de optie "Trefwoord" om te zoeken op kampen of gevangenissen.
k
l i k
G
E B R U I K T E A F K O R T I N G E N
ABJSG
Association Belge des Jeunes pour le Souvenir des deux Guerres
AEL
Arbeitserziehungslager
AIVG
Aide aux Israélites Victimes de la Guerre
AMVC
Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, Antwerpen
Au-St
Auschwitz Stichting, Brussel
BvO
Bestuursafdeling
voor de Oorlogsslachtoffers. Ministerie van Volksgezondheid en
Leefmilieu, Brussel
CDJC
Centre de Documentation Juive Contemporaine, Paris
CREHSGM Centre de Recherches et d'Etudes Historiques de la Seconde Guerre
Mondiale, Bruxelles
DDO
dienst
documentatie en overlijden (SDR-dossiers), BvO
FNDIRP Fédération Nationale des Déportés, Internés, Résistants et Patriotes,
Paris
GVDB
privé-archief Gie van den Berghe
Huy
Musée
du Fort de Huy
IfZ
Institut
für Zeitgeschichte, München
IHTP
Institut d'Histoire du Temps Présent, Paris
JMPB
Joods Museum, Brussel
KGD
Archief
KZ-Gedenkstätte Dachau
KZ
Konzentrationslager. Gebruikelijke afkorting voor concentratiekamp
(KL was de officiële afkorting)
LS
Archief Lorenz Sichelschmidt, Bielefeld
MBI
Martin
Buber Instituut, Brussel
MCF
Ministère de la Culture Française, Bruxelles
MW
Nationaal
museum van de Weerstand, Brussel
NCPGR
Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden,
Brussel (CNPPA)
NCWO-II
Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog,
Brussel
NGFB
Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk
OHD
Oral
history department, Hebrew University, Jerusalem
PL
Archives
Mme Plisnier-Ladame, Bruxelles
PMO
Panstwowe
Muzeum Oswiecim (staatsmuseum Auschwitz)
Riod
Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, Amsterdam
s.a.
ongedateerd (sine anno)
SHAEF Supreme Headquarter Allied Expeditionnary Forces
s.l.
zonder plaats (sine loco)
s.n.
zonder uitgever (sine nomino)
S.O.B.
Stedelijke Openbare Bibliotheek
Schiller-Nationalmuseum
Schiller-Nationalmuseum - Deutsches Literaturarchiv,
Marbach-am-Neckar
UNRRA United Nations Relief and Rehabilitation Administration
UVGL
Unie der Verbroederingen van het Geheim Leger, Brussel
W.L.
The Wiener Library collection of testimonies, London
YVA
Yad
Vashem Archives, Jerusalem
ZAL
Zwangsarbeitslager
N
O T E N
[1]
. Behalve een
verklaard tegenstander van discriminatie ben ik ook voorstander
van duidelijkheid en leesbaarheid. Daarom mijd ik hij/zij, zij/hij omschrijvingen (het Engels beschikt met (s)he over een aanvaardbaar alternatief)
en gebruik ik, man zijnde, het mannelijk voornaamwoord. Bijkomend
voordeel is dat het gender-perspectief van de auteur niet uit
het oog verloren wordt; de lezer blijft zich ervan bewust dat
er een man aan het woord is. Een even consequent gebruik van
het vrouwelijk voornaamwoord in teksten van vrouwen, werkt even
verhelderend. Meer nog, het volgehouden gebruik van de zij-vorm
druist in tegen taalkundige conventies - de weerspiegeling van
sociaal-economische ongelijkheid - en levert daardoor een bijdrage,
hoe klein ook, aan het bewust-zijn en blijven van bepaalde vormen
van discriminatie. Waarschijnlijk ten overvloede, maar voor
alle zekerheid onderstreep ik nog, dat de nazi's zowel vrouwen
als mannen arresteerden en opsloten, en dat zowel vrouwen als
mannen daarover hebben getuigd.
[2]
. Alle waarnemingen
en interpretaties door mensen worden vervormd, ook de wetenschappelijke.
De mate van vervorming verschilt naargelang de omstandigheden
waarin waarneming en interpretatie gebeuren, de tijd en de middelen
waarover de waarnemer beschikt om tot een oordeel te komen en
dat te controleren.
[3]
. KZ is de gebruikelijke
afkorting van Konzentrationslager,
concentratiekamp.
[4]
. Het feit zelf
iets meegemaakt te hebben verleent er een bijna absolute waarachtigheid
en overtuigingskracht aan. Wie bijvoorbeeld voor het eerst geconfronteerd
wordt met de optische (en andere zintuiglijke) illusies uit
psychologische handboeken, kan een gevoel van ongeloof ternauwernood
onderdrukken. De overtuiging van zintuiglijke onfeilbaarheid
is, niettegenstaande vele bewijzen en bijna dagelijkse indicaties
van het tegendeel, bijzonder hardnekkig. Subjectieve zekerheid
is voor individuen waarschijnlijk een essentiële factor voor
het behoud van het psychisch en sociaal evenwicht. Daardoor
hebben mensen doorgaans de grootste moeite om fysiologische
en psychische beperkingen van de waarneming te aanvaarden.
[5]
. Zie: Wat drijft de mensheid ?, de tweede epiloog
bij Oorlog en Vrede.
Leerrijk en boeiend is wat Siegfried Kracauer en Carlo Ginsburg
hierover hebben geschreven in respectievelijk: History.
The last things before the last (New York, 1969 - vooral
hoofdstuk 5: 'The structure of the historical universe') en
'Just one witness' in Saul Friedlander (ed.) - Probing
the limits of representation. Nazism and the "Final Solution"
(Cambridge-Mass/London, 1992, p. 82-96).
[6]
. Genen zijn dat
slechts in zeer geringe mate (mutaties). Het is de combinatie
van de genen (in de chromosomen), hun selectie en daardoor bepaalde
vermenigvuldigingskans, die sociaal en tijdgebonden is.
[7]
. Formulier A 33 Lebenslauf 8 41 23500 K 0905, met
bovenaan: 'Die nachstehenden Fragen sind wahrheitsgemäß zu beantworten'.
[8]
. DDO-dossier
nr. 65357. DDO is de afkorting voor Dienst
documentatie en overlijden. De DDO-dossiers bevinden zich
op het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers te Brussel
(BvO).
[9]
. Omwille van
de leesbaarheid, in passages waar het woord egodocument te vaak
dreigt voor te komen, worden af en toe toch de termen 'ooggetuigenverslag'
en 'getuigenis' gebruikt.
[10]
. Bakels, Floris
- Verbeelding als wapen,
(Amsterdam, Elsevier, 1979), dagboek bijgehouden door deze Nederlandse
NN-gevangene in Natzweiler, Dachau en andere gevangenisoorden.
[11]
. In Commissie
voor Oorlogsmisdaden - De
oorlogsmisdaden bedreven onder de bezetting van België 1940-1945.
Het folteringskamp Breendonk (Luik, 1949, p. 89-92) en in
Jules Wolf - Pro Justicia
I. Le procès de Breendonk (Bruxelles, 1973).
[12]
. Over de oprichting
van het CDJ, zie Maxime Steinberg-1986, vol I, p. 59-70.
[13]
. Zo was het in Mauthausen (Leuven, Libertas,
1985 - NCWO-II: B2565); De
bloedstraat. Buchenwald (Leuven, Libertas, 1986 - NCWO-II
: 8130); De zwarte weg. Auschwitz-Birkenau (Leuven,
Libertas, 1987 - NCWO-II: B2967), om er maar enkele te noemen.
[14]
. Burton is waarschijnlijk
een pseudoniem, ik kon zijn werkelijke naam niet achterhalen
en dus ook niet nagaan of hij in Bergen-Belsen gezeten heeft.
[15]
. De Gele Duivels van Tikotaka, zie daarover
Rudy Kousbroek, Het Oostindisch
kampsyndroom, Amsterdam, 1992, p. 397.
[16]
. Paris-Bruxelles,
Pierre de Méyère, 1978.
[17]
. Hieronder keer
ik hierop nog terug. Zie ook: Van den Berghe in, Calembert,
Léon (nr. 267). Naar egodocumenten wordt verwezen door middel
van hun reeksnummer in deze bibliografie.
[18]
. Zie daarover:
Van den Berghe-1987, hoofdstuk IV en vooral blz. 80-88; alsook
Jean Améry - Die Tortur (nr. 92).
Het "morele
lijden mag niet tot het minste worden gerekend, al voedt het
de verbeelding niet. Beseft men wel goed wat het betekent: scheiding,
tekort aan nieuws, wanhoop niet meer te zullen terugkeren, heimwee,
moeten leven in een onsympathiek vijandig midden met verbeeste
mensen, de innerlijke strijd tussen het egoïsme dat de eigen
redding brengen kon en het gebod der naastenliefde: te moeten
plooien voor bandieten, de macht te zien primeren op het recht,
de dreiging van de dood en de schrik voor wat komen kon..."
Van Renne, Cesar - Terugblik
op Buchenwald (nr. 1409a), p. 19.
[19]
. In De oorlogsmisdaden bedreven gedurende de bezetting
van het Belgisch grondgebied 1940-1945 - De jodenvervolging
in België (Commissie voor Oorlogsmisdaden, Luik, 1948, p.
24) wordt het zelfs een concentratiekamp genoemd.
[20]
. Dat gebeurde
vooral in het laatste oorlogsjaar. Nogal wat gevangenissen werden
toen omgedoopt tot commando's (van KZ) en sommige commando's
werden autonome KZ.
[21]
. Zie hierover
Lagrou, Pieter - De politieke
strijd om het verzetsaureool (Leuven, 1989), p. 100-118.
[22]
. "Elk gebruik
van raciale categorieën moet zijn rechtvaardiging halen uit
andere bronnen dan de biologie" (Richard Lewontin, Steven
Rose & Leon Kamin - Genetica,
erfelijkheid en ideologie. Nieuw rechts en het biologisch determinisme,
Berchem, [1987], p. 111-118). Zie ook: Hiernaux, Jean - Découvertes
récentes sur l'origine de l'homme, (Bruxelles, 1968, p. 32);
Biddis, Michael - 'Race', The Fontana dictionary of modern thought, (London, Fontana/Collins,
1978, p. 520); Billig, Michael - L'internationale
raciste. De la psychologie à la 'science' des races, (Paris,
1981); Goldberg, David (ed.) - Anatomy
of racism, (Minneapolis, 1990, vooral de inleiding). Taguieff,
P.-A. - La force du préjugé. Essai sur le racisme et
ses doubles, (Paris, 1987; vooral "Racisme": Usages
ordinaires et usages savants. Du mot à la notion, p. 49-121).
In Race, nation, classe. Les identités ambigues (Paris, 1990) analyseren
Etienne Balibar en Immanuel Wallerstein inhoudelijke verschuivingen
van het racismebegrip in de voorbije eeuwen. Hun stelling luidt
in een notedop als volgt: het racisme dat zich baseerde op biologische
en psychologische argumenten was eigen aan het tijdperk van
kolonisatie; het neo-racisme, een 'racisme zonder rassen' dat
zich beroept op onoverkomelijke culturele verschillen, is kenmerkend
voor een gedekoloniseerde wereld die, wat het westen betreft,
gebukt gaat onder een 'immigratiecomplex'.
[23]
. "Le génocide
des Juifs n'est-il pas le résultat politique dû à une certaine
légalité nazie élaborée à Wannsee. Le Juif doit donc être considéré
comme un prisonnier politique au même titre que ses camarades
non-Juifs (...) Les souffrances endurées ont besoin d'être honorées
comme le sont les actions (...). Ainsi aurait-il dû être établi
par nos institutions à nous, après la guerre, que l'arrestation
des Juifs était bien consécutive à un risque spécial commis
involontairement par ces derniers, par le fait qu'ils étaient
malgré eux, une source de résistance à l'occupant. Pour ces
raisons, ils n'auraient jamais dû être exclus du droit au titre
de Prisonnier Politique (...)" Van West, Charles - "Ce
n'était pas encore une nécessité. Maintenant c'est devenu une
obsession..." (nr. 1424), p. 72-73 (weglatingen in het
artikel zelf).
[24]
. Zie bijvoorbeeld:
Kogon, Eugen - Der SS-Staat.
Das System der deutschen Konzentrationslager (München, 1974),
p. 48.
[25]
. SHAEF - Supreme
Headquarter Allied Expeditionnary Forces.
[26]
. Zie: Van den
Berghe-1992/1, p. 42
[27]
. DDO-dossier
nr. 14147
[28]
. Notice biographique élaborée à partir du dossier
personnel de Fernand Leleux, service Archives et Documentation
du Ministère des Affaires Etrangères, Paris, 1992 (archief GVDB).
[29]
. Over Jean Améry
zie: DDO-dossier nr. 33456; Bettinger, Sven-Claude - 'Jean Améry
- een herinnering', Streven,
1979, p. 500-509; Levi, Primo - The
drowned and the saved (London, 1988) p. 124 e.v.; Pfäfflin,
Friedrich - 'Améry, Unterwegs nach Oudenaarde', Marbacher
Magazin, 24/1982
[30]
. Omwille van
de leesbaarheid heb ik het af en toe kortweg over 'Belgische'
egodocumenten en 'Belgische' getuigen over de nazi-kampen.
[31]
. Van den Berghe-1992/1,
p. 41
[32]
. Egodocumenten
die eenzelfde getuige in verschillende periodes schreef zijn
goed vergelijkingsmateriaal om dit soort invloeden na te gaan,
bijvoorbeeld het effect van de koude oorlog op het oordeel achteraf
over communistische medegevangenen.
[33]
. Vanzelfsprekend
ook geen absoluut, maar een relatief begrip.
[34]
. Uit de telresultaten
zal nog blijken dat de categorie meer of minder spontaan beter vervangen wordt door meer of minder groepsgebonden.
[35]
. Gepubliceerd
in 1987 onder de titel J'ai
voulu vivre (nr. 699).
[36]
. "Et nous
voudrions convaincre,
apporter un témoignage telque nul ne puisse plus, en bonne foi,
douter, parler un tellement clair et simple langage que chacun
en perçoive la vérité profonde, que pas un citoyen d'un pays
libre ne se refuse à la leçon des faits." (op. cit., p.
9 - mijn cursivering).
[37]
. Zie hierover:
Van den Berghe-1988/1, p. 48-51.
[38]
. De twee eerste
hypothesen zijn in elk geval onjuist wat lager geschoolden betreft.
Geslacht en scholingsgraad zijn ook nog onderling gecorreleerd
en dat kan ook een en ander verklaren.
[39]
. Uit de telresultaten
blijkt dat individuele vrouwen minder gepubliceerd hebben. Het
aandeel van vrouwen ligt voor ongepubliceerde getuigenissen
dubbel zo hoog als voor die in boek- of brochurevorm. Ook bij
de meer groepsgebonden, gesolliciteerde egodocumenten (bundels,
tijdschriften...) ligt hun aandeel beduidend hoger (zie Tabellen
34, 35 en 36). Of vrouwen over- dan wel ondervertegenwoordigd
zijn, valt uit deze getallen niet af te leiden. Daarvoor moeten
ze worden getoetst aan de realiteit erachter: de man-vrouw verhouding
bij de (overlevende) gevangenen, maar die realiteit is zoals
we zullen zien nog ongekend.
[40]
. Gotovitch, José-1976/1,
p. 180
[41]
. Verklaringen
in DDO-dossiers (o.m. Rosa Keck), interviews door José Gotovitch.
Getuigenissen van en over zigeuners: nrs. 31, 561, 562, 1241,
1242 en ook 1535, 1536 en 1537.
[42]
. Een drietal
jaar na het einde van de oorlog schreef Buchenwaldoverlevende
Cesar Van Renne: "De tijd leerde dat het succes door de
propaganda gehaald uit de revelatie die werd gebracht door de
bevrijding van de concentratiekampen, lag in de exploitatie
van het sensationele, in de bevrediging van de sensatiezucht
der mensen. Deze propaganda was verkeerd omdat ze de kampen
eenzijdig leerde bekijken. Ze had als gevolg dat de sympathie
daalde of omsloeg, eens de sensatiezucht afgestompt. En dit
gebeurde spoedig, doordat men meestal eerst met het sensationele
uitpakte. Hier zegt er een: "Zou dat allemaal echt waar
zijn geweest ?" en daar: "'t Waren feitelijk toch
maar avonturiers..." en verder: "Maar daar zaten toch
ook moordenaars in die kampen ?" (p. 2). "Het paste
in het kraam van het hyperpatriotisme, tijdens het bevrijdingsjaar,
alles zo spectaculair mogelijk voor te stellen. Eens dat tijd
de sensatielust had afgesloten meenden velen, bewust of onbewust,
dat de verhalen van de teruggekeerden mochten aangezien worden
als gevallen van collectieve hallucinatie..." (Terugblik op Buchenwald, nr. 1409a, p. 15).
[43]
. Nauwelaers,
Louis - Hoe ik het slachtoffer
werd van de oorlog 1940-45 (nr. 1005).
[44]
. Léon Calembert
bijvoorbeeld, professor aan de universiteit van Luik. In zijn
manuscript Flossenburg
staat minstens één lay-out aanduiding met het oog op publikatie,
die overigens in 1948 ook werd aangekondigd (Harsin, Paul -
L'université de Liège
pendant la guerre, Liège, 1948, p. 62).
[45]
. Uit de juridische
getuigenissen afgelegd voor de in december 1944 opgerichte Commissie voor Oorlogsmisdaden van het
Ministerie van Justitie werd geput voor het samenstellen van
de reeks De oorlogsmisdaden bedreven gedurende de bezetting
van het Belgisch grondgebied 1940-1945, meer in het bijzonder
het deel over de jodenvervolging en dat over Breendonk. Het
archief van deze Commissie kan geraadpleegd worden op het NCWO-II
(nummer B64). Op dezelfde plaats vindt men ook vele getuigenissen
van Belgen op processen (Auschwitz, Bergen-Belsen, Dachau, Flossenbürg,
Neuengamme, Ravensbrück...).
[46]
. Onder meer:
Rap. 143, vijf opbergmappen, BvO; Plusieurs
témoignages sur différents camps et évacuations rassemblés par
le Commissariat Belge au Rapatriement, Service 'Recherches,
Etudes et Préparation des Missions', NCWO-II - B50(4). Enkele
van deze getuigenissen vond ik terug in het archief van de Gedenkstätte
Dachau, bijvoorbeeld die van François De Grom, nr. 65/944. Deze
getuigenissen omvatten vaak gedetailleerde plattegronden van
(delen van) kampen, opgemaakt met het doel de taak te verlichten
van missies die resten van omgekomen Belgen moesten opsporen.
[47]
. Bijvoorbeeld
het formulier Interrogatoire
pour prisonniers politiques van het Belgisch Commissariaat
voor Repatriëring. De Questionnaires
concernant des Israëlites ayant été déportés dans des camps
de France et d'Allemagne (BvO: Rap 497, vijf opbergmappen)
en de Questionnaires Originaux
Israélites die de AIVG (Aide aux Israélites Victimes de
la Guerre) voorlegde aan gerepatrieerde joden (BvO: Rap 123,
twee opbergmappen, alfabetisch op naam van de geïnterviewden).
[48]
. Een apart soort
getuigenis zijn de rapporten geschreven door KP-leden voor de
politieke controlecommissie van de KP. De naar schatting 200
rapporten bevinden zich op het CENKAB (Centrale Kommunistische
Archieven in België) in Brussel. Eind 1994 waren ze nog niet
echt ontsloten, maar onderzoekers zijn er van harte welkom.
Naar alle waarschijnlijkheid bevatten ze veel informatie over
de machtsverhoudingen tussen gevangenen.
[49]
. Louis Kiebooms
was hoofdredacteur van de Gazet
van Antwerpen; Paul Levy was verbonden aan de I.N.R. (de Belgische radio-omroep); Henri Michel was redacteur van
Grenz-Echo en ere-president van het Allgemeinen Belgischen Presseverband. Een
idee van de omvang van dit alles geeft de bibliografie in Henri
Michels Oranienburg-Sachsenhausen (nr. 978 e.v.
in deze bibliografie) waarin een honderdtal krantenartikels
van zijn hand vermeld worden.
[50]
. Een bruikbaar
overzicht van deze tijdschriften verzameld in het NCWO-II en
in het stadsarchief van Brussel, vindt men in Lagrou, Pieter
- De politieke strijd om het verzetsaureool (Leuven, 1989), p. 215-217
& 222-224. Sommige van de daarin opgesomde tijdschriften
kunnen ook geraadpleegd worden in de Koninklijke Bibliotheek
en in die collectie zitten nog andere titels, zij het dat vele
exemplaren ondertussen spoorloos verdwenen zijn.
[51]
. Voor de geïnteresseerden
vermeld ik enkele verzamelingen:
* de persknipsels
over de concentratiekampen in het NCWO-II (11.3 - 11.17)
* het Fonds
Lejeune bevat verscheidene knipsels uit kranten en tijdschriften
(NCWO-II: PL 1, 377 & 386 - twee archiefdozen met alfabetisch
op naam gerangschikte artikels)
* archiefstukken
van het UNRRA (NCWO-II: B50, 3-5) omvatten een 'revue de la
presse' met veel verwijzingen naar artikels over de kampen
* hetzelfde
geldt voor Ofipresse,
het weekblad van de Office
Israélite de Presse et de Documentation in Brussel, gepubliceerd
in de periode van 27.4.1945 tot 28.12.1945, dat vele uittreksels
en verwijzingen naar kranten en tijdschriften bevat (NCWO-II:
R435A & BvO : R123 Tr148442)
* een cartotheek
'pers' op de Auschwitz Stichting met fiches die verwijzen naar
krantenartikels verschenen in de periode van 7.9.1944 tot 31.12.1945
(overwegend Franstalige pers)
* bruikbare doch onvolledige verwijzingen
naar enkele kranten voor de periode van 1944 tot eind 1950 in
: Van Gerven, Luk - Reacties
in de Vlaamse Pers op de ontdekking van het concentrationair
systeem, licentiaatsverhandeling, Gent, RUG, 1990.
[52]
. Wat video-opnamen
betreft zit bijvoorbeeld heel wat materiaal bij Etienne Bosschaert
(Schoten), die al sinds eind 1989 getuigen interviewt. Volgende
overlevenden getuigen daarin over volgende gevangenisoorden
: Victor Baeyens (Neuengamme, Breendonk); Regine Beer (Auschwitz-Birkenau);
Charles Brusselairs (Esterwegen, Buchenwald); Marcel De Ghouy
(Natzweiler, Dachau); Leon Derous (Natzweiler, Dachau); Marcel
Durnez (Auschwitz-Birkenau, Flossenbürg); Milan Hammel (Plaszow,
Gross-Rosen, Ebensee); Alfons Loyez (Esterwegen, Dachau); Frans
Maes (Sachsenhausen, Dachau); Floris Proces (Buchenwald); Zygmunt
Reich (Mechthal, Gross Masselwitz, Klettendorf, Waldenburg);
Raymond Symoens (Sachsenhausen); Jozef Troffaes (Gurs, Moabit,
Auschwitz, Buchenwald, Flossenbürg); Jan Van Calsteren (Breendonk,
Vught, Natzweiler, Dachau); Leonard Van De Velde (Neuengamme);
Albert Van Nerum (Neuengamme); Henri Van Hoeke (Esterwegen,
Dachau); Clement Verhellen (Esterwegen, Flossenbürg); Emile
Vos (Trzebinia, Blechhammer, Buchenwald).
[53]
. Dit soort onjuistheden
geef ik ter verantwoording, niet uit triomfalisme. Oplettende
gebruikers van deze bibliografie zouden zich vragen kunnen stellen
over de afwezigheid van bepaalde documenten die in eerdere lijsten
stonden. Geen enkele titel die ik in de geraadpleegde bronnen
aantrof (zie p. Deel II, p. 315-367) werd lichtzinnig geëlimineerd.
In het bestek van deze bibliografie kunnen ze niet alle met
de reden van hun uitsluiting worden vermeld, maar wie erom vraagt
zal ik graag verder inlichten. In elk geval ging ik niet over
één nacht ijs, alles werd terdege onderzocht. Dat kostte tijd
en moeite en daar kunnen andere onderzoekers hun voordeel mee
doen. Triomfalisme zou ook volkomen misplaatst zijn. Ten eerste
omdat er zonder twijfel ook in deze bibliografie onjuistheden
en fouten zijn geslopen, ondanks verwoede inspanningen om dat
te vermijden. Ten tweede omdat ik besef veel voor te hebben
op mijn voorgangers : de gebeurtenissen liggen verder af, afstand
en overzicht vergroten daardoor bijna automatisch; uiteindelijk
beschikte ik ook over meer tijd voor het opzoekingswerk en,
in combinatie met dit alles, kon ik ook veel doelgerichter te
werk gaan.
[54]
. Bibliografie van de in 1988 en 1989 verschenen
publikaties betreffende België tijdens de tweede wereldoorlog,
Bijdragen NCWO-II, 1990.
[55]
. Een ander voorbeeld
is nummer 3043 bij Kiedrzynska: den
Mord an Ernst Thälmann (Zürich, 1945) geschreven door...
Verhindert, het eerste woord van de titel.
[56]
. Waardoor ik
genoodzaakt werd de gegevens over deze auteurs nogmaals te verifiëren.
[57]
. Bijvoorbeeld
Neuengamme van Alb. Van De Poel (opgenomen
in de Belgische Bibliografie
van 1946) uitgegeven bij de Standaard Boekhandel (Amsterdam/Brussel,
1945), maar wel het egodocument van een Nederlander.
[58]
. Expositietrein van de Nationale confederatie
der politieke gevangenen en rechthebbenden en van de Nationale
vereniging der weerstanders van 't spoor (Brussel, 1947).
[59]
. Rothschild-Boros,
Monica C. - In the shadow
of the tower. The works of Josef Nassy 1942-1945. Catalogue
(California, 1989), p. 11.
[61]
. Bijvoorbeeld
de zeven schilderijen van Tollik over Auschwitz. Uit de titels
van deze werken volgt dat het om Janina (Janiny) Tollik moet
gaan. Zij werd in 1910 geboren in Janow (Polen), was in 1940
actief in een verzetsbeweging in de buurt van Krakau, werd in
mei 1941 gearresteerd, kwam in april 1942 in Auschwitz terecht
en werd in april 1944 op transport gesteld naar Flossenbürg
(Blatter & Milton, p. 266-267. Zie ook: Nigdy
wi_cej ! Reprodukcje obrazów... Cztery lata przezy_ O_wi_cimia
[Nooit meer! Reproduktie van het werk van Janina Tollik. Vier
jaar belevenissen in Auschwitz] Pa_stw. Muzeum w O_wi_cimiu,
[1951]).
[62]
. 2ème année,
n° 3/4, p. 3
[63]
. Op dit kaartje
is geen spoor te vinden van een traject door Luxemburg, Frankrijk
of Nederland.
[64]
. Freeport/Maine,
1982.
[65]
. Drie auteurs
van deze egodocumenten, zij die in 1993 nog in leven waren,
heb ik schriftelijk gecontacteerd met de vraag of ik hun getuigenis
mocht inzien en kopiëren voor het archief van het NCWO-II. Mijn
brieven bleven onbeantwoord.
[66]
. De meeste getuigen
zwijgen in alle talen over hun preconcentrationair bestaan.
Wat hen in de kampen is overkomen overstijgt alles wat ze ooit
meegemaakt hebben en, naar hun gevoel, ook alles wat iemand
kán overkomen. Daarover willen ze berichten. Onder meer daarom
cijferen ze zichzelf zoveel mogelijk weg en ontstaat de illusie
dat alle subjectiviteit gemeden kan worden alsook de waanidee
dat dat een goede zaak zou zijn. Wat vermeldingen over het persoonlijk
bestaan vóór de internering aangaat, kan nog onderscheid worden
gemaakt tussen verzetslui en mensen die zomaar
gevangen gezet werden. Het verslag van deze laatsten begint
meestal met het moment van emigratie (naar België), arrestatie
of deportatie. Verzetslui beginnen hun verhaal doorgaans met
het begin van de oorlog of hun verzetsactiviteit.
[67]
. Zo vond ik verschillende
lezenswaardige, goed geschreven getuigenissen terug van kort
na de oorlog, onder andere die afgelegd voor de Commissie voor Oorlogsmisdaden (b.v. die van Robert Verheyden), van
getuigen die bij mijn weten later niet meer over hun ervaring
geschreven hebben.
[68]
. Al konden van
deze categorie toch velen aan de hand van hun getuigenis geïdentificeerd
worden als man of vrouw, jood of niet-jood.
[69]
. 'De' joodse
cultuur bestaat niet, behalve voor wie cultuur en religie door
elkaar haspelt.
[70]
. Toen Paul Levy
Breendonk binnengevoerd werd vroeg Untersturmführer Prauss aan
de nieuwelingen of ze joden waren. Twee antwoordden bevestigend,
Paul Levy ontkende en zei: "A mon point de vue non, au
point de vue belge ça n'existe pas, à votre point de vue sûrement
oui!". Prauss monsterde hem, haalde zijn schouders op,
gaf hem een oorveeg en ging naar zijn bureau (Levy, Paul M.G.
- Le défi, nr. 871,
p. 62, zie ook p. 25). Levy werd gecatalogiseerd als jüdischer Häftling.
[71]
. Paul M.G. Levy,
La question juive,
33 p. dact., NCWO-II, Fonds Hendrik De Man, PD6 (232-234); zie
ook Paul M.G. Levy - Le Défi, (nr. 871), p. 21-22.
[72]
. Toen Paul Levy
in 1975 voor het eerst sinds de oorlog de kans kreeg zijn tekst
te herlezen, voegde hij er vier pagina's toelichting aan toe
(NCWO-II, ibid). Daarin distantieert hij zich geenszins van
wat hij 35 jaar eerder had geschreven.
[73]
. Van den Berghe-1992/2,
p. 12-14.
[74]
. Voor een exacte
omschrijving zou de persoon zelf geraadpleegd moeten worden.
Gaat het in dit concrete geval om een heropleving van een joods
bewustzijn, een bewustwording of een erkenning? In elk geval
niet om een bekentenis in de betekenis van bekering. En wat
met termen als bewustzijn en bewustwording,
in hoeverre beschrijven die een vaststaande werkelijkheid en
in hoeverre doen ze dat accuraat ? Deze termen houden steeds
de voorstelling in dat wat bewust wordt voordien minstens latent
aanwezig was, dus in potentie al bestond. Nieuwe neurologische
inzichten waarbij het bewustzijn wordt gezien als een dynamisch
interactiemiddel tussen persoon en omgeving, een bewustzijn
dat zich aanpast aan gewijzigde noden, situaties en tijden,
kunnen hier verhelderend werken, ook voor historici. Zie hierover:
Edelman, Gerald - Bright air, brilliant fire. On the matter of the mind, New York BasicBooks,
1992; Rosenfield, Israel - The
strange, familiar and forgotten. An anatomy of consciousness,
New York, Knopf, 1992 en, wat dit laatste boek betreft, mijn
uitgebreide bespreking in Streven: 'Een anatomie van het bewustzijn'
(april 1993, p. 236-331).
[75]
. Hieruit blijkt
dat de nazi's niet altijd even consequent catalogiseerden. Paul
Levy, die zoals Stehman werd gearresteerd wegens verzetsdaden
(Feindbegünstigung noemden ze het, een term die je steeds weer even
op het verkeerde been zet), werd wél als jood beschouwd. Blijkbaar
bracht een expliciet katholieke identificatie de nazi-classificatie
goed in de war.
[76]
. Jacques Ochs
maakte er zijn portret, vermeld in deze bibliografie (zie in
nr. 1020).
[77]
. Frank-Duquesne,
Albert - Via Crucis. Chemin
de la croix (nr. 544), p. 12.
[78]
. Interview Paul
M.G. Levy (Gembloux, 19.11.1994)
[79]
. In feite gaat
alleen het woord vooraf ('Prologue au purgatoire') over zijn
ervaring in Breendonk. Die ervaring beschouwt hij als een beproeving,
een onverhoopte kans, een godsgeschenk om terug op het rechte
pad te geraken. De hel die Breendonk voor anderen was, schrijft
hij (p. 8), was voor hem een vagevuur. "Seigneur, ma vie,
jusqu'à présent ratée. Vous m'offrez, par une miséricorde unique,
imméritée, de la réussir en la reprenant à ses débuts. Je viens
de naître : Breendonk, c'est ma planète, mon éon,
tout mon univers." (p. 9). De mystieke interpretatie (betekening)
die hier een extreme vorm aanneemt, keert in nog enkele andere
Belgische egodocumenten van katholieke gevangenen terug (Jean
Cassart - Le chemin de croix de Breendonk, nr. 281; Paul M.G. Levy - Le sermon dans la Géhenne, nr. 868, over
de aankomst van Christus in Breendonk). De interpretatie van
de gevangenschap als een via
dolorosa (de smartelijke weg die Christus is gegaan met
zijn kruis, op weg naar de verlossing van de mensheid) is soms
minder opvallend. Bijvoorbeeld het aan Psalm 107 ontleende A l'ombre de la mort, titel van het egodocument
van Léon-E. Halkin, nr. 668. Het door Halkin gelegd verband
tussen vers 10 van deze psalm en de gevangenschap (hij legde
het verband in de gevangenis Gross-Strehlitz, p. 85) spreekt
sterk tot de verbeelding, maar de context van dit vers gaat
wel over een door god opgelegde straf wegens ongehoorzaamheid.
"Moesten
huizen in duister, in schaduw des doods,
in
pijnigend ijzer geklonken;
Want
zij hadden Gods woorden getart,
de
raad des Allerhoogsten versmaad,
die
hun hart door beproeving terneer boog;
zij
struikelden - er was geen helper;
riepen
toen tot de Heer in hun angst,
uit
hun noden heeft hij hen verlost,
hen
geleid uit het duister, de schaduw des doods
hij heeft hun boeien verbroken."
(De
Bijbel. Uit de grondtekst vertaald. Willibrord vertaling,
Brugge, Emmaüs, 1975).
[80]
. Dit essentieel
onderscheid ontbreekt in de interessante discussie tussen Thanassekos
& Chaumont en Charles Van West (nr. 1424, vooral p. 49-53
& 71-74). Van West definieert zichzelf als jood omdat hij
in een joodse familie geboren is en omdat een groot deel van
zijn familie in de gaskamers is omgekomen. Maar vanuit zowel
religieus, psychologisch als cultureel oogpunt voelt hij zich
ver verwijderd van het jodendom. Hij voelt zich in de eerste
plaats humanist. Jood begon hij zich te voelen toen het nazisme
opkwam en de joden begon te discrimineren. Tussen de regels
door leest men, dat de interviewers de nodige moeite hebben
met deze visie. Het gaat om, schrijven ze bijvoorbeeld, "l'épineuse
et vaste question des rapports complexes qu'entretient tout
au long de la vie la mémoire
avec les besoins identitaires
de l'individu. En l'espèce, un ensemble de constructions et
d'élaborations parfois problématiques et tortueuses,
visant à définir pour soi-même et pour les autres les contours
de l'image de soi,..." (p. 49 - mijn onderstreping).
[81]
. Een cru maar
tot de verbeelding sprekend voorbeeld is de verschillende wijze
waarop daders en slachtoffers dezelfde gebeurtenissen waarnemen.
Om de gebeurtenissen zo goed mogelijk te vatten en te doorgronden,
moeten beider ervaringen en interpretaties bestudeerd worden.
Dat is, om voor de hand liggende redenen, voor velen lang niet
vanzelfsprekend. Toen Raul Hilbergs baanbrekend werk The destruction of the European Jews in
1961 verscheen, ontstond heel wat opschudding over het feit
dat de auteur expliciet de optiek van de daders bestudeerde
(zijn boek werd overigens nog steeds niet in het Hebreeuws gepubliceerd).
De commotie nam nog toe toen Hannah Arendt doorging op Hilbergs
benadering in het toen geruchtmakend Eichmann in Jerusalem. A report on the banality
of evil. Zie hierover: Van den Berghe-1990/1 & van den
Berghe-1994/2.
[82]
. Zie daarover
Belzig, de getuigenis van Germaine Terwecoren
(nr. 1252), p. 3.
[83]
. Luxe-edities
in kunstzinnige band of op speciaal papier worden, als ze gepubliceerd
werden in hetzelfde jaar als de 'gewone' editie, niet afzonderlijk
vermeld.
[84]
. Eén getuigenisvorm
en één getuigenisinhoud per egodocument was in bepaalde gevallen
ontoereikend. Sommige egodocumenten bevatten immers elementen
van verschillende types. Verdere uitwerking van EGODOC bleek
in de gegeven omstandigheden niet mogelijk. Om het euvel enigszins
te beperken werden bepaalde egodocumenten in hun onderdelen
opgesplitst en ingevoerd.
[85]
. In onze tijd
van bijna onbeperkte vermenigvuldigingsmogelijkheden (stencils,
kopies, computers en printers...) is het begrip publikatie
verruimd. Het produceren, reproduceren, inlijmen en verspreiden
van geschriften is relatief gemakkelijk en betaalbaar geworden.
Daardoor is het vrij zinloos nog onderscheid te maken tussen
ingelijmde kopies en de vroeger in eigen beheer uitgegeven boeken
en brochures. Daarom heb ik voor geschreven egodocumenten het
begrip publikatie ruimer opgevat dan gebruikelijk is: wat publiek
is gemaakt, wat in een bepaalde oplage werd verspreid.
[86]
. Tekeningen,
schilderijen en toneelstukken die gepubliceerd werden in boek-
of brochurevorm werden bij de groep boeken & brochures geteld.
Niet gepubliceerde tekeningen werden ondergebracht bij de ongepubliceerde
ego-documenten.
[87]
. Om bundels te
extraheren uit de samengesmolten blokken (drie en vier), moest
een telling gemaakt worden waarbij jaar van publikatie, vormtype
en 'niet spontaan' aan elkaar werden gekoppeld.
[88]
. Een tijdrovende
bezigheid, ook voor een 80486 computer, enkele tellingen namen
meer dan 48 uur in beslag.
[89]
. Egodocumenten
in boek- of brochurevorm (vertalingen inbegrepen): 58,55% in
het Frans en 31,39% in het Nederlands; verder ook in het Duits,
Engels, Jiddisch en Russisch.
Ongepubliceerde egodocumenten
(vertalingen inbegrepen): 75,08% in het Frans en 18,93% in het
Nederlands; verder ook in het Duits, Engels, Hebreeuws en Jiddisch.
Getuigenissen in bundels,
tijdschriften en kranten (vertalingen inbegrepen): 63,34% in
het Frans en 29,67% in het Nederlands; verder ook in het Duits,
Engels, Italiaans en Jiddisch.
[90]
. Wat de grote
kampen betreft is dat het geval voor Breendonk, Dachau, Esterwegen,
Flossenbürg en Groß-Rosen (boeken, brochures en ongepubliceerde
samen).
[91]
. Eind 1993 werd
begonnen met systematische bestudering van deze groep. ERGO,
een onderzoek dat Patrick Temmerman en Bert Boeckx aan het NCWO-II
uitvoeren, moet een eerste statistisch overzicht bieden. Maar
dit project kwam te laat om nog van nut te zijn voor de interpretatie
van de in deze bibliografie vervatte gegevens. Daarenboven werden
in dit project ook andere maatstaven en criteria gebruikt, waardoor
het niet erg bruikbaar is voor vergelijking met de gegevens
uit onderhavige studie.
[92]
. '...on ne comprend
rien à l'histoire des camps si on l'étudie d'un point de vue
purement national.' (Wormser-Migot, Olga - Quand
les alliés ouvrirent les portes, p. 13). Zie hierover ook:
Van den Berghe-1992/1.
[93]
. Na het tellen
kwamen er nog eens 55 egodocumenten bij en drie (dubbele) werden
geschrapt.
[94]
. Alleen de bibliografie
in boekvorm staat volledig
op punt. Alle verbeteringen en toevoegingen die in de laatste
fase (de tweede helft van 1994 en de eerste drie maand van 1995)
zijn gebeurd, werden niet meer in EGODOC ingevoerd. Tijdgebrek
en ook de beperkingen van EGODOC maakten dat onmogelijk.
[95]
. Het ware interessant
de invloed van zo'n belangrijk herdenkingsmoment op de herinneringsproduktie
na te gaan, zowel wat auteurs als getuigenisinhoud betreft.
[96]
. Dit is de ironie
van het mediagebeuren: de aandacht die naar bepaalde gebeurtenissen
en thema's gaat, put zichzelf steeds weer uit, ze leidt tot
oververzadiging, het tegengestelde van wat nagestreefd werd.
Een ironie die waar het om grootschalig menselijk leed gaat,
zeker als die hier en nu voortduurt, cynisch overkomt.
[97]
. Vele egodocumenten
geraakten nooit uit de kampen. Uit goede bron - andere egodocumenten
bijvoorbeeld - weten we dat in nogal wat kampen en periodes
veel Belgen veel hebben opgetekend. Zie bijvoorbeeld Joseph
Berman over de Belgen in Esterwegen (J'ai
eu de la chance... c'est tout, nr. 169, p. 125).
[98]
. Wat Israël betreft
biedt de door Yehuda Bauer e.a. uitgegeven Guide to unpublished materials of the Holocaust period een goed overzicht.
Op basis hiervan heb ik een aantal getuigenissen van 'Belgen'
uit de Yad Vashem Archieven op microfilm laten zetten en die
kunnen nu op het NCWO-II worden geraadpleegd. Het laten filmen
van getuigenissen is evenwel een dure en tijdrovende procedure.
Er werd slechts een deel van wat in Yad Vashem te vinden is
gekopieerd en gerepertorieerd. Ook al omdat onderdelen van de
YVA zich niet in Jeruzalem maar in afdelingen in andere steden
bevinden, afdelingen die afzonderlijk moeten worden gecontacteerd.
Bijvoorbeeld het Testimonies Department of the Yad Vashem Central Archives, Givatayim
(Tel-Aviv), waar verscheidene getuigenissen over het kamp in
Mechelen, Breendonk en Auschwitz berusten. Interessant materiaal
is waarschijnlijk ook te vinden in het archief van het Central Committee of Liberated Jews in the U.S. Zone dat in december
1945 in München werd opgericht en een vijftigtal afdelingen
had in displaced persons kampen. De Central Historical
Commission van dit comité nam talloze getuigenissen af van joden
in die kampen en publiceerde ook een Yiddisch dagblad (Fun letztn Churbn). Dit materiaal berust in de YVA, maar er bestaat
geen gepubliceerde gedetailleerde beschrijving van.
Veel getuigenissen
berusten ook in de vele herdenkingsoorden en onderzoekscentra
die werden opgericht in of bij de voormalige kampen, alsook
in de archieven van allerhande verzetsorganisaties, ook in Duitsland.
[99]
. Met toevallig
bedoel ik dat de wijze waarop werd verzameld geen verband hield
met de inhoudelijke doelstelling van het onderzoek.
[100]
. Oproepen in:
Kracht - Effort, mars/avril 92, n° 2 (NCPGR, CNPPA);
Mededelingen (NCWO2);
Heylen & Van Hulle - Getuigenissen
uit de koncentratiekampen, p. 6; het Belgisch
Israëlitisch Weekblad (1992) en op een plenaire vergadering
van de Vriendenkringen in het Museum van de Weerstand te Brussel.
Deze oproepen leverden zeer weinig op.
[101]
. Het laatste
decennium ziet men dit fenomeen overigens weerspiegeld in titels
van bepaalde egodocumenten. Bijvoorbeeld Jean Jacobs - A
14 ans dans les camps nazis (nr. 758), geschreven in 1984
toen hij 56 was en vier jaar later verschenen.
[102]
. Tot vlak vóór
de tweede wereldoorlog bleven getuigenissen van Belgen verschijnen
over hun gevangenschap tijdens de eerste
wereldoorlog (Hanlet, p. 1168-1171). Dat hernam nadien, soms
in het zog van de getuigenissen over de laatste wereldbrand
(bijvoorbeeld het egodocument van A. Mussche dat door sommigen
werd aanzien als een egodocument over WO-II), maar vaker toch
in concurrentie met die ooggetuigenverslagen en erdoor verdrongen.
[103]
. Amper één week
voor het beëindigen van de eindredactie van deze bibliografie,
verscheen van de hand van Tineke Wibaut-Guilonard - Kamp
Vught. 1943-1944. In gevangenschap getekend (Vught, Stichting
Vriendenkring Nationaal Monument Vught, 1 april 1995). Daarin
vond ik afbeeldingen van drie portretten gemaakt door de Belg
Louis van de Spiegele (p. 27-29), in de periode van 27.12.43
tot 13.7.44. Er wordt ook nog verwezen (p. 119) naar twee andere
portretten van deze auteur, één gemaakt in de gevangenis van
Leuven, een ander getekend in het fort van Huy, opgedragen aan
zijn medegevangene Jules Blairou (?). De twee laatste portretten
zijn in het bezit van het Riod.
[104]
. Slechts één
voorbeeld uit vele: het debat op 21.4.1975 na de film van Frank
Beyer, Nu parmi les loups (naar het bekende boek
van Bruno Apitz, 'Nackt unter Wölfen' over Buchenwald), met
getuigenissen van onder andere Fernand Degrève, Henri Glineur,
Léon Humblet en Constant Bracke.
[105]
. Een gebruik
dat sinds de jaren tachtig weer sterk is toegenomen onder meer
om de opkomst van extreem-rechts te stuiten, maar ook doordat
vele overlevenden ondertussen de pensioengerechtigde leeftijd
hebben bereikt, over meer vrije tijd beschikken om het verleden
te verwerken en erover te getuigen.
[106]
. In zoverre die
bewaard gebleven zijn, zijn de meeste in het bezit van familieleden.
In de persoonlijke dossiers op het Bestuur voor Oorlogsslachtoffers
zitten er ook van niet teruggekeerden, bijvoorbeeld van Mala
Zimetbaum. In het archief van het NCWO-II zitten her en der
ook brieven. Enkele werden in de bibliografie opgenomen, andere
vond ik pas in een latere fase en vermeld ik hier volledigheidshalve
doch zonder aanspraak op exhaustiviteit:
A. André - brieven uit Buchenwald
(PA3);
Desopper, Arthur - Brieven
gesmokkeld uit gevangenschap in Huy, Vught en Sint-Gillis (PD
33d, PD 33f, PD 33h, 33i en 33l);
Martiny, C.L. - Brieven
uit Berlin-Moabit aan zijn dochter (8 S 16, 29,1-5);
Yanne, Léon - Brieven uit
Sachsenhausen aan Olga Yanne (PY1 - 1351);
brieven uit verscheidene
gevangenissen (PF7);
handgeschreven
brieven en getuigenissen van joodse gevangenen uit Brugge, Leuven,
Merksplas, Rekem, Tournai, Vorst - Archief Ullman (PU1, microfilm
XLI).
[107]
. Zie daarover
Jean Oth - Le courier
des camps de concentration (Neufchâteau, 1987).
[108]
. Interessant
is wel dat het getuigenismoment daardoor met zekerheid gekend
is, dat de wachttijd tot publikatie kan worden berekend en dat
manuscript en publikatie met elkaar vergeleken kunnen worden
om eventuele wijzigingen aan vorm en inhoud op te sporen.