Waarom
is iets lachwekkend of komisch? Welke zijn de omstandigheden, de voorwaarden van
de lach? Die vragen probeerde de Franse filosoof Henri Bergson te beantwoorden
in Le Rire (1900), zijn prachtig geschreven
"theorie van de lach".
De
lach kan niet zonder echo, hij is een groepsfenomeen. Wie buiten de groep staat,
lacht niet mee. Het is ook niet zomaar amusement maar een sociaal gebaar, de beteugeling
van sociale starheid, zeg maar onaangepast gedrag. De lach haalt wie niet in de
pas loopt weer bij de les.
Lachwekkend
of belachelijk is wat afwijkt van, indruist tegen sociale geplogenheden. De lach
bestraft en corrigeert, de wraak van de maatschappij op sociaal vrijpostig gedrag.
Hij intimideert door vernedering, "niets ontwapent zozeer als de lach".
Kwaad met kwaad beantwoordend, spreekt hij het restje boosaardigheid in ieder
van ons aan. Het komische vereist een tijdelijke "anesthesie van het hart".
Bron
van het komische is starheid, een zekere "mechanisering of verstrooidheid
van het leven". We lachen om iemand die struikelt, om iemand die ongewild
een ongepaste gedachte uit, omdat dat ons doet denken aan een automaat, een ding
- een nabootsing van leven, komisch door onvolmaaktheid.
Deze
interpretatie kadert in Bergsons filosofie die inging tegen de materialistische,
deterministische, mechanistische wereldvisie van zijn tijd. Bergson opponeerde
materie en intellectualisme aan leven en intuïtie. Het (geïdealiseerde) leven
valt nooit in herhaling, verandert voortdurend, is altijd in beweging, steeds
sociaal alert. Wat daartegen indruist, tics bijvoorbeeld, werkt op de lachspieren.
De materie wil alles tot haar inertie herleiden. Als een parasiet hecht het mechanisme
zich op het leven; karakter, geest en lichaam verstarren. Waarom dat komisch werkt,
zegt Bergson er niet bij.
Al
wil hij het komische "niet opsluiten in een definitie", toch dwingt
Bergson alles in het keurslijf van zijn wetten. Een bultenaar zou lachwekkend
zijn omdat hij doet denken aan iemand die in een slechte houding is verstard.
En om negers lacht men omdat hun anderszijn wordt gezien als een vermomming, iets
mechanisch dus. Vandaar de hilariteit toen die Parijse koetsier een neger voor
'mal lavé' uitschold.
De
starheid waarover Bergson het heeft valt tot op grote hoogte samen met sociale
onaangepastheid. Het komische houdt heel vaak verband met de zeden, met maatschappelijke
vooroordelen. Gelukkig, voegt Bergson eraan toe, vallen het zedelijke en sociale
ideaal grotendeels samen.
Bij
de lectuur, honderd jaar na datum, valt het tijdsgebonden karakter van het komische
op. Er werd gelachen om dikke mensen, negers, bultenaars, niesbuien, jeneverneuzen.
Bergson had er geen moeite mee. Maar lachen om geobsedeerden of zotten, dat hoorde
niet, die zijn ziek. De beschaving van de lach.
Freuds
intuïties hingen in de lucht. Bergson heeft het over een logica van de verbeelding
die wezenlijk verschilt van die van de rede; hij vergelijkt de logica van het
komische met die van de droom; oppert dat het komische teruggaat op de kindertijd;
en hij heeft het over onderdrukte passies, een soort onderbewustzijn - "onder
de buitenste korst van ingeklonken oordelen en stevig verankerde ideeën"
schuilt een vulkaan, "een verwarde wereld van vage dingen die hadden willen
zijn, en die, gelukkig voor ons, niet geworden zijn".
Vijf
jaar na Le Rire verscheen Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten.
Sigmund Freud waardeert Bergsons essay, voelt wel iets voor mechanisering als
bron van het komische, maar gaat niet in op zijn sociale correctietheorie. Geen
wonder, want voor Freud is de grap geen correctie, eerder het tegendeel, het is
een sociaal aanvaarde manier om maatschappelijke taboes te doorbreken. De lach
is expressie van de bevrediging van een verboden drift (ongeremde seks of agressie).
Het plezier komt voort uit de opheffing van de inhibitie. De vrijgekomen psychische
energie, nodig om de remming vol te houden, ontlaadt zich in de lach.
Eigenlijk
heeft Bergson het vooral over uitlachen,
om iemand lachen, leedvermaak. Hij verwijst ook alleen zijdelings naar het plezier,
maar komt dan wel in de buurt van Freuds alternatieve en aanvullende verklaring.
Sociaal gedrag, alleen zien wat is, alleen denken wat steek houdt, vergt een aanhoudende
intellectuele inspanning. Die inspanning, zegt Bergson, is het gezond verstand.
En dat is hard werken. De komische absurditeit is een soort verlof van het vermoeiende
bestaan en denken, een vorm van sociale luiheid. De lach is als het schuim op
de branding, revolte aan de oppervlakte, vluchtiger, zouter en bitterder dan het
zeewater. En daaronder is, anders dan bij Freud, alles in diepe rust.
Henri
Bergson - Le rire. Essai sur la signification
du comique, Paris, 1900.
Gepubliceerd in
De Standaard der Letteren op 23 oktober
2003, in de reeks Zolderboeken, en in
Mores, februari 2004.