Summer
for the Gods is een uitstekend
gedocumenteerde, boeiende en knap gecomponeerde studie over ontstaan en groei
van de legende rond het proces tegen John T. Scopes (1925), de man die in zijn
eentje de strijd zou hebben aangebonden tegen de creationisten. Het boek werd
in de VS bekroond met de Pulitzerprijs voor geschiedenis, maar bleef onbesproken
in Europa. En dat is, gezien de heropleving van het creationisme, ook in Nederland,
bijzonder jammer.
Van bij het begin werd de evolutietheorie door
veel christenen verworpen. Ze ervoeren de natuurlijke selectie die aan de basis
ligt van het ontstaan van de soorten als willekeurig en wreed, lijnrecht het tegendeel
van de harmonie van de schepping die getuigenis aflegt van het bestaan van god,
zijn almacht en goedheid. Het darwinisme, dat door sommigen als de ontkenning
van god werd geïnterpreteerd, mocht onder geen beding op school onderwezen worden.
In de VS groeide dit verzet uit tot een machtige beweging. Dat er ook nogal wat
Amerikaanse christenen waren die geloof en wetenschap met elkaar wilden verzoenen,
was daar waarschijnlijk niet vreemd aan. Deze modernisten ruimden plaats in voor
een goddelijke rol in de evolutie; god als evolutionaire kracht, een soort immanente
'goddelijke intelligentie'. Ze aanvaardden wetenschappelijke bevindingen die strijdig
waren met de bijbel, die volgens hen niet door god maar door mensen was opgesteld.
Dit theologisch liberalisme werd als ketterij bestreden
door de fundamentalisten, conservatieve christenen van verscheidene protestantse
strekkingen die weigerden de fundamentals
van hun geloof op te geven. De evolutietheorie was niet alleen tegengesteld aan
gods woord, ze was ook moreel en ideologisch fout. De survival-of-the-fittest theorie werd veroordeeld als een rechtvaardiging
van kapitalisme, imperialisme en militarisme. Veel christelijke pacifisten waren
er heilig van overtuigd dat de Eerste Wereldoorlog, "die brutale oorlog tussen
christelijke naties", een gevolg was van darwinistisch denken. Ook de opkomst
van het internationale communisme, de wereldwijde onrust onder arbeiders en de
afbraak van traditionele waarden en rollen werden daaraan geweten.
In het eerste kwart van de twintigste eeuw begonnen
de wetenschappelijke bewijzen voor de evolutietheorie zich op te stapelen. Leerboeken
aan universiteiten en scholen werden almaar darwinistischer. Rond 1920 laaide
de strijd tussen voor- en tegenstanders weer op. De fundamentalisten beriepen
zich op het meerderheidsprincipe, het majoritarianism. De meerderheid, niet de
wetenschap, hoort te beslissen wat wordt onderwezen; "leerkrachten moeten
onderwijzen wat de belastingbetalers willen"; "wie het salaris betaalt,
bepaalt het onderwijs". Een redenering die tot veler verbeelding sprak en
niet makkelijk te weerleggen was. Dat deze rechtse filosofie elementaire vrijheden
en rechten van individuen en minderheden met voeten trad, deerde de meerderheid
immers niet.
In 1925 werd in de protestantse staat Tennessee
een anti-evolutiewet gestemd. Al wie onderwees dat de mens van een lagere orde
van dieren afstamt zou zwaar beboet worden. Verwacht werd dat andere staten spoedig
zouden volgen. Maar de American Civil Liberties
Union (ACLU), een elitaire organisatie van liberale gestudeerde New Yorkers,
stak daar een stokje voor. De anti-evolutiewet was de druppel die de emmer deed
overlopen, culminatiepunt van steeds verdergaande vrijheidsbeperkingen in naam
van de majoritaire democratie. Het begon in 14-18 met het verbieden van pacifistische
meningsuitingen, en ging na de oorlog verder met het beknotten van socialisme,
anarchisme, communisme en vakbeweging.
De ACLU, die ook een leidende rol had in de strijd
voor academische vrijheid, was in 1925 nog op zoek naar een grote juridische overwinning.
Via de media kondigde ze aan dat ze de slachtoffers van de anti-evolutiewet zou
verdedigen en dat ze een leerkracht zochten die de wet op de proef wou stellen
voor de rechtbank. Wie daarop inging zou door de beste advocaten verdedigd worden
en moest niet voor zijn job vrezen.
Het stadsbestuur van Dayton (Tennessee) zag hier
wel iets in. Een geruchtmakend proces kon het kleine stadje, dat op zijn retour
was, nieuw leven inblazen. Ze boden aan een van hun leerkrachten te vervolgen.
De vierentwintigjarige Scopes, leerkracht fysica en deeltijds voetbaltrainer,
leek een geschikt kandidaat. Hij had wel eens iets voorgelezen over de evolutietheorie
toen hij zijn collega biologie verving. Hij oogde oprecht en onschuldig, was verlegen
en apolitiek, zou geen wilde speeches afsteken die ouders en belastingsbetalers
konden ontstemmen. Scopes verklaarde zich bereid en werd gearresteerd. De show
kon beginnen.
Dayton stond in rep en roer. Iedereen wilde een
graantje meepikken. Handelszaken werden opgefleurd met Monkeyville-slogans en namaak-apen aan de ingang, tegen betaling kon
men zich laten fotograferen in gezelschap van een levende chimpansee, burgers
ontruimden hun huis om het aan bezoekers te verhuren. Er werden dertigduizend
belangstellenden verwacht, tien keer meer dan er uiteindelijk zouden komen. Maar
de mediabelangstelling was enorm, ook in het buitenland.
Iedereen wist dat het om een testcase ging, de
ACLU wou Scopes laten veroordelen om in hoger beroep de ongrondwettelijkheid van
de wet te kunnen aantonen. De zaak kreeg een andere wending toen twee zwaargewichten
met nationale allures zich onverwachts in de strijd gooiden. Clarence Darrow,
de grootste strafzaakpleiter van zijn tijd en kampioen van het antiklerikalisme,
zag zijn kans schoon om het geloof een zware klap toe te brengen en bood aan Scopes
pro deo te verdedigen. Daarop diende William Jennings Bryan, de man die de fundamentalistische
beweging had omgevormd tot een kruistocht tegen het evolutie-onderwijs, zich als
openbaar aanklager aan. Voor deze democraat en pacifist, een gevierd redenaar
en auteur van vele boeken, mocht de evolutietheorie desnoods als hypothese onderwezen
worden maar niet als vaststaand feit. Vast stond alleen dat god de mens geschapen
had, naar zijn evenbeeld, een schepsel met een ziel. De ACLU zag met lede ogen
aan hoe het proces uitgroeide tot een emotionele confrontatie tussen scheppingsverhaal
en evolutietheorie.
Bryan speelde in op de stereotiepe voorstelling
van de evolutietheorie, onze rechtstreekse afstamming van apen. Zijn steeds weer
herhaalde retorische vraag, "hoe kunnen leraars aan leerlingen vertellen
dat ze van apen afstammen en desondanks verwachten dat ze zich niet als apen zullen
gedragen?", werd steevast op applaus onthaald. Het was Bryan in de eerste
plaats te doen om "het recht van het volk om de scholen die het financiert
te controleren"; stiekem hoopte hij de evolutietheorie in diskrediet te kunnen
brengen. Maar hij vond geen wetenschapper bereid om ertegen te getuigen. Hij zag
dan maar af van een wetenschappelijk debat en spitste alle aandacht toe op het
juridische aspect, de wetsovertreding. De rechter sloot zich daar onder druk van
plaatselijke politici bij aan. Omdat het proces niet over juist- of onjuistheid
van de evolutietheorie zou gaan, werden getuigenexperts geweerd, kwam er toch
een wetenschapper aan het woord dan moest de jury de rechtszaal verlaten.
De strijd leek beslecht, journalisten begonnen
Dayton te verlaten, fundamentalisten vierden de overwinning al. Maar dat was zonder
Darrow gerekend. Die deed een meesterlijke zet door Bryan als bijbelexpert in
de getuigenbank te dagen. Bryan was ijdel en zelfzeker genoeg om daarop in te
gaan. Ondertussen was er zoveel volk toegestroomd dat de vloer van de rechtszaal
het dreigde te begeven. De zaak werd buiten voortgezet, op het grasveld voor het
gerechtsgebouw.
Darrow nam het standpunt van een dorpsscepticus
in. Leefde Jonas drie dagen in de walvis? Hoe kon Joshua de dag verlengen door
de zon - en niet de aarde - stil te doen staan? Waar haalde Kaïn zijn vrouw? Hoe
kreeg Noah de dieren van over de hele wereld naar en in zijn ark? Bryan zei geen
moeite te hebben met Adams rib of Noah's ark. Hij geloofde ook dat de zon pas
op de vierde dag geschapen werd, ook al bestonden dag en nacht manifest voordien.
Verklaren kon hij dat niet, "maar zo staat het beschreven".
De rechter en medestanders van Bryan probeerden
herhaaldelijk het twee uur durende debat af te breken, maar Bryan weigerde woedend,
hij "moest het woord Gods beschermen tegen de grootste atheïst van de VS".
Darrow schreeuwde terug, vuisten werden gebald. Bryan moest op heel wat punten
toegeven geen redelijk antwoord of verklaring te hebben. De fundamentalistische
voorvechter viel als bijbelexpert door de mand en Darrow toonde aan dat de bijbel
geen geschikte bron voor natuurkennis is.
In zijn slotbetoog zei Darrow tegen de jury, die
het debat niet had mogen bijwonen, dat hij hen niet mocht uitleggen waarom ze
Scopes moesten vrijspreken. Scopes, die in de hele heisa bijna vergeten was, werd
veroordeeld. Beide partijen hadden het gevoel een overwinning behaald te hebben,
de een moreel de ander juridisch. Bryan bereidde een grote anti-evolutiespeech
voor om er het land mee rond te reizen, maar overleed kort na het proces. Cynici
beweerden dat god eigenlijk Darrow wou treffen, maar hem op een haar na miste.
De ACLU ging in hoger beroep. Het hof deed er zeven
maand over om tot een uitspraak te komen. Het werd een Salomonsoordeel: de wet
bleef behouden maar moest niet afgedwongen worden, Scopes ging vrijuit.
Aanvankelijk werd het Scopesproces geenszins als
een beslissend keerpunt gezien. Die visie is onderdeel van de legende die in de
jaren 30-60 tot stand kwam. Geleidelijk werd alles herleid tot een strijd tussen
wetenschap en religie, seculiere stad versus religieus platteland, noord tegen
zuid. Het fundamentalisme werd gereduceerd tot anti-evolutionisme en dat had in
de persoon van Bryan een beslissende nederlaag geleden. Bryan werd als een karikatuur
van zichzelf voorgesteld, Darrow en Scopes als helden, en het proces als de triomf
van rede over openbaring. In 1960 kreeg de legende haar definitieve vorm toen
ze in een toneelstuk en een film werd gegoten. Inherit the Wind werd een kaskraker.
Het fundamentalisme werd vanaf de jaren dertig
afgeschilderd als de grote verliezer. Daardoor verslapte de waakzaamheid van de
evolutionisten, er werd tijd noch energie verspild aan het weerleggen van creationistische
argumenten. Het fundamentalisme, dat zich van de maatschappij had afgekeerd, breidde
ongestoord uit. In de jaren veertig was er een subcultuur ontstaan met een eigen
creationistisch 'wetenschappelijk' establishment. In de jaren vijftig verrechtste
de beweging, tot en met steun voor de jacht op communisten. Inherit
the Wind moet in die context gezien worden: het proces tegen Scopes als schoolvoorbeeld
van de linkse zegepraal over religieuze en politieke intolerantie.
In de jaren zestig waren de meeste Amerikaanse
universiteiten en scholen zo goed als volledig gewonnen voor academische vrijheid.
De anti-evolutiewetgeving was on-Amerikaans en werd ongrondwettelijk verklaard,
ook in Tennessee, de monkeystate. Fundamentalisten
begonnen nu andere middelen aan te wenden om het evolutie-onderwijs te bestrijden.
Ze ijverden voor gelijke bescherming en verspreiding van het creationistische
ideeëngoed. In de jaren zeventig en tachtig bepaalden verscheidene zuidelijke
staten dat beide theorieën moesten onderwezen worden. De ACLU kwam hiertegen in
het geweer, rechters kozen unaniem de kant van de wetenschap. Fundamentalisten
richtten eigen scholen op, de aanhang van het creationisme bleef groeien.
Midden jaren negentig werd in Tennessee, Alabama
en Georgia een nieuw offensief ingezet om het evolutie-onderricht aan banden te
leggen. De media legden direct het verband met het legendarische Scopesproces,
de wetsvoorstellen haalden het nipt niet.
Bijna 50% van de Amerikanen is er nog steeds van
overtuigd dat de mens door god geschapen werd; 40% wil dat in de lessen biologie
alleen het scheppingsverhaal onderwezen wordt; 68% vindt dat aan beide theorieën
evenveel aandacht moet worden besteed. Eind 1999 werd in Kansas het onderwijs
van de evolutietheorie naar het verdomhoekje verwezen. Het werd uit het verplichte
leerprogramma gehaald, er moest niet meer naar verwezen worden.
Larson, Edward J. - Summer for the Gods. The Scopes Trial and America's Continuing Debate
over Science and Religion, Cambridge(Mass)/London, Harvard University Press,
1997
Verschenen
in Streven, januari 2001, p. 61-65 en Mores, januari-februari 2001, p. 65-70