Serendipiteit, de kunst van het onverwachte  
 

Over de auteur

 
   
   
   
   
   
   
   
   
 

Sein Kampf | Adolf Hitler - Mein Kampf
 


Een van de meest besproken maar minst gelezen boeken van de voorbije eeuw is Mein Kampf, de bijbel van het nationaal-socialisme. Het eerste deel, 'Een afrekening', schreef Adolf Hitler in 1924 in de gevangenis van Landsberg, waar hij na zijn mislukte putsch van 8/9 november 1923 werd opgesloten.

Het is een glorificerend verhaal over zijn jeugd en politieke bewustwording. Hitler stelt alles mooier, doelgerichter, consistenter en roemrijker voor dan het was, en gelooft er duidelijk zelf in. In het tweede deel, 'De nationaal-socialistische beweging', geschreven na zijn vrijlating en gepubliceerd in 1926, zet Hitler zijn Weltanschauung uiteen.

Mein Kampf was bestemd voor fervente aanhangers van de beweging. De Führer neemt dan ook geen blad voor de mond. Hij verzekert zijn kompanen dat hij geen pacifist is, maar al van jongs af met oorlog dweepte. Hij kondigt aan dat hij zich meester zal maken van de militaire machtsmiddelen, Frankrijk zal vernietigen, Rusland zal veroveren.

De reacties op Mein Kampf waren en zijn tegenstrijdig. Enerzijds wordt het boek gekleineerd en gebanaliseerd, anderzijds zou het zo gevaarlijk zijn dat het verboden moet worden. Vast staat dat een objectieve, niet-veroordelende lectuur wordt bemoeilijkt door onze kennis achteraf, de gruwelen veroorzaakt door het nationaal-socialisme. Toch is een feitelijke, objectiverende lezing noodzakelijk, tenminste voor wie iets begrijpen wil van de opkomst van de Führer en zijn ideologie.

Mein Kampf biedt een unieke inkijk in het mens- en wereldbeeld van Hitler op een moment dat hij alleen maar kon dromen van de macht nodig om zijn plannen te realiseren. En dat wereldbeeld was heel wat consistenter dan doorgaans wordt aangenomen. De uitgangspunten zijn irrationeel en waan-zinnig, maar het betoog zit vrij logisch in mekaar en kan, voor wie de premissen niet in vraag stelt, heel overtuigend zijn.

Voor Hitler is de hele geschiedenis één grote ­rassenstrijd. Het hoogste ras, het Arische, wordt in zijn voortbestaan bedreigd door het laagste, het joodse. Parasiterend op het lichaam van andere volkeren, streven joden naar wereldheerschappij. Om andere volkeren aan zich te onderwerpen bederven ze hun bloed. Urenlang loert 'de zwartharige jodenjongen, met duivelse vreugde op het gelaat, op het meisje om het met zijn bloed ­te schenden en daarmee aan haar volk te ontroven'.

Bloedvermenging verzwakt sterke rassen. Alle grote beschavingen, ook Duitsland, zijn ten onder gegaan door raciale bloedvergiftiging. De volkse staat moet ras en raszuiverheid weer in het middelpunt plaatsen. En het ras mag ook intern niet verzwakt worden; ongeneeslijk zieken en gehandicapten mogen geen kinderen voortbrengen. Een staat die zich 'aan de verzorging van de beste elementen van zijn ras wijdt, zal op een goede dag meester worden over de aarde'.

Bijna argeloos beschrijft Hitler de geboorte van zijn haat en obsessie. Zijn ogen gingen open toen hij in Wenen échte joden zag, die met kaftan en zwarte lokken. Van dan af, schrijft hij, zag hij overal joden, wezens die niets gemeen hadden met Duitsers. Onhygiënische halfapen zijn het, ook op moreel vlak. Bacillendragers die alles vervuilen, 'een pest, erger dan de Zwarte Dood'. Toen hij doorkreeg dat de marxistische beweging door joden werd geleid, vielen de schellen hem van de ogen. De sociaal-democratie is het instrument dat joden gebruiken om de menselijke cultuur te vernietigen. Daarop werd Hitler 'fanatiek antisemiet, de grootste ommekeer van alle' (in werkelijkheid kreeg hij het antisemitisme bijna met de paplepel ingegoten).

De marxistische leer is tegennatuurlijk. Hij verwerpt het rasbeginsel, ruilt 'het eeuwige voorrecht van de sterkste' in voor 'de massa van het getal' en predikt de klassenstrijd. Die broederstrijd verzwakt het Duitse volk. Daar moeten volksvreemde joden achter zitten! Sociaal-democraten en joden - één pot nat voor Hitler - hebben de mond vol over de gelijkheid van mensen om de eigen ongelijkheid, hun raciale minderwaardigheid, te verdonkeremanen. Sociaal-democratie en jodendom zijn een wereldpest, ze zullen de hele mensheid vernietigen. Joden en marxisten moeten dus met alle geweld, met 'fanatieke onverdraagzaamheid' bestreden worden. En daarmee, besluit Hitler, werkt hij 'in de geest van de almachtige Schepper'; zich 'verweren tegen de jood is het werk des Heren verrichten'.

Raszuiverheid is een eerste voorwaarde, maar als de Ariërs over de aarde willen heersen, moeten ze ook kunnen beschikken over voldoende voedsel, genoeg vruchtbare bodem. Bloed en bodem. Hitler voorziet grote voedseltekorten en uit die 'nood van het eigen volk ontstaat het morele recht om vreemde grond te veroveren'. Bloedvergieten is dan gerechtvaardigd, ook in de ogen van God. Het benodigde Lebensraum zal worden veroverd op Rusland en zijn satellietstaten.

Maar hoe de macht verworven om dit alles te realiseren? Na zijn mislukte putsch beseft Hitler dat hij niet buiten de massa kan, ook al veracht hij haar uit de grond van zijn hart,  een minachting die hij over tientallen bladzijden uitsmeert. De massa is intrinsiek traag en dom, herkent geen geniale ideeën. Het meerderheidsbeginsel tast het leiderbeginsel aan.

Jammer genoeg kan 'geen enkel groot idee, hoe groots en verheven ook, verwerkelijkt worden zonder de geweldige kracht van de massa'. De massa moet de strijd om ras en Lebensraum op zich nemen. Propaganda en opvoeding moeten haar daartoe bewegen. Hitler heeft bestudeerd hoe hij het hart van de grote massa veroveren kan. Tot het gevoel spreken, niet tot het verstand, want het 'begripsvermogen van de massa is zeer beperkt en haar vergeetachtigheid groot'. Altijd primitieve taal en eenvoudige voorbeelden gebruiken, 'je beperken tot een paar punten en die als leuzen blijven herhalen'. Propaganda 'moet populair zijn, haar geestelijk niveau afstemmen op de achterlijkste onder de toehoorders', 'hoe groter de massa, hoe lager het niveau'.

Jongeren niet langer met abstracte kennis volproppen maar hen doordringen van rasgevoel en besef. Veel sport om een gezond lichaam te ontwikkelen, vooral boksen en jiujitsu - die gezonde geest komt dan wel vanzelf. De opvoeding vindt haar hoogste voltooiing in het leger, jongens worden er opgevoed 'tot idealisme en offervaardige liefde voor het vaderland'. En de meisjes? Hun opvoeding moet absoluut gericht zijn op het toekomstig moederschap. Samengevat: hou mensen dom dan zijn ze makkelijk te manipuleren.

Wat bij herlezing vooral verbaast, is de bijna kinderlijke openhartigheid van Hitler, ook al omschrijft hij zichzelf als een sluw en meedogenloos strateeg. Zijn bezetenheid en manifest gebrek aan diplomatieke ervaring moeten hem parten gespeeld hebben. Hij zou het zich later beklaagd hebben dat hij zo in zijn kaarten had laten kijken. Een bewering die haaks staat op de vele, grotendeels ongewijzigde herdrukken van Mein Kampf. In totaal waren er meer dan tien miljoen exemplaren in omloop, vanaf 1936 kreeg ieder Duits bruidspaar een exemplaar van de nazi-bijbel mee (in datzelfde jaar verscheen ook een editie in braille).

Daags nadat Hitler aan de macht kwam, stond in een advertentie voor Mein Kampf dat iedereen kon lezen wat Hitler nu zou doen - 'niemand, vriend noch vijand kon daar nog aan voorbij'. Toch wel, verbijsterend genoeg. Dat men Hitler in de jaren twintig niet ernstig nam, dat valt nog te begrijpen, maar dat de internationale gemeenschap weinig of niets ondernam toen hij dictatoriale macht verwierf en - zoals aangekondigd in Mein Kampf - een meedogenloze vervolging inzette op sociaal-democraten en joden, het ene na het andere gebied inpalmde, daar kan een mens zonder veel begrip voor Realpolitik toch niet goed bij.

Hardnekkige geruchten willen dat ook de jodenmoord expliciet werd aangekondigd in Mein Kampf, maar dat is onjuist. Zij het dat de genocide wel in aanleg aanwezig was. Wie medemensen ontmenselijkt zet het licht op groen voor onmenselijkheid en onmenselijke daden. Niemand kon er naast kijken dat, mocht Hitler aan de macht komen, hij alles in het werk zou stellen om de joden kwijt te raken. Door emigratie, verbanning, deportatie naar onherbergzame gebieden, het maakte hem niet uit, zolang hij ze maar kwijt was. Mocht dat niet lukken dan was, gezien zijn fanatieke ideologie, de kans bijzonder groot dat hij joden en andere zogenaamde Untermenschen fysiek zou laten elimineren.


Gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 17 april 2003, in de reeks Zolderboeken en in Mores augustus 2003.

 

 

 


Copyright © Gie van den Berghe. Some rights reserved.