De beruchtste periode uit de geschiedenis van het
drankmisbruik is ongetwijfeld de Prohibition,
het absolute drankverbod in de Verenigde Staten van 1920 tot 1933. Deze drooglegging
was het culminatiepunt van een lange evolutie. De religieus geïnspireerde anti-alcoholbeweging
had voor de negentiende eeuw weinig aanhang. Integendeel, kort na de Amerikaanse
onafhankelijkheidsverklaring (1776) werd een alcoholbelasting ingevoerd.
Met industrialisatie, verstedelijking, massale
immigratie en toenemende armoe steeg het alcoholverbruik zienderogen. Religieuze
leiders zagen dronkenschap als een nationale vloek, dé bron van armoe, misdaad
en geweld. Dat veel sociale ellende vooral te maken had met economische uitbuiting,
dat alcohol een van de weinige betaalbare middelen was om daar even aan te ontkomen,
ontging de moraalridders. Hun campagne sloeg aan; rond 1855 was in bijna de helft
van de Amerikaanse staten een drankverbod van kracht en het alcoholverbruik daalde.
Dat veranderde weer met de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-65).
Na die oorlog rezen de saloons als paddestoelen
uit de grond. Feministen kwamen in het geweer tegen die oorden van verderf en
geweld, waar alleen vrouwen van lichte zeden welkom waren en manlief broodnodige
centen verspilde. De Women's War, of
Vrouwenkruistocht, verbreidde zich als een olievlek. Na kerkmeetings trokken duizenden
vrouwen naar de saloons, richtten er piketten op en probeerden bezoekers door
zang en gebed op betere gedachten te brengen.
In 1895 werd de Anti-Saloon League of America opgericht; gedragen door de landelijke
protestantse middenklasse, en gericht tegen de verderfelijke grootsteden. Industriebazen
schaarden zich aan hun zij; werk aan de lopende band vereiste immers nuchtere,
gedisciplineerde, stipte arbeiders. In sommige grote bedrijven controleerde privé-politie
op nuchterheid; wie betrapt werd, kreeg de bons.
In de negentiende eeuw waren miljoenen Europeanen
naar de VS uitgeweken. Onder meer bierdrinkende Duitsers, in Cincinnati (Ohio)
was zelfs veertig procent van de inwoners van Duitse afkomst, er was altijd wel
ergens een bierfeest aan de gang. De anti-alcoholbeweging stelde de migranten
aansprakelijk voor de zedenverloedering. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak was
het hek van de dam. Duits-Amerikaanse brouwers werden verraders genoemd die, in
loondienst van de vijand, Amerikaanse soldaten benevelden.
De Anti-Saloon
League financierde politici die voor de sluiting van de saloons ijverden.
In tien jaar tijd groeide de liga groeide uit tot een van de grootste politieke
machten. Bij de nationale verkiezingen in 1916 waren er dubbel zoveel 'droge'
als 'natte' congresleden. Nog tijdens de oorlog kwam er een drankverbod. Twee
maand na de wapenstilstand keurde het Congres het 18de amendement op de Amerikaanse
grondwet goed. Dat verbood de bereiding, de verkoop en het transport van alcoholische
dranken, met uitzondering van die bestemd voor geneeskundige, sacramentale of
industriële doeleinden, alsook vruchtendranken bereid voor persoonlijk gebruik
(cider). Begin 1919 hadden zo goed als alle staten de National
Prohibition Act onderschreven.
De drooglegging zou begin 1920 van start gaan.
In afwachting steeg het alcoholverbruik en werd op grote schaal gehamsterd. Eens
de wet van kracht, namen illegale bereiding en handel een hoge vlucht. Clandestiene
verkooppunten en bars, speakeasies,
rezen uit de grond. Al gauw waren er nationaal dubbel zoveel drankgelegenheden
als vóór het drankverbod. Smokkelaars sleepten van heinde en verre drank aan.
Het zakencijfer van de illegale alcoholhandel overtrof dat van de auto-industrie.
In één jaar tijd steeg de productie van miswijn met bijna veertig procent. Artsen
leverden stapels alcoholvoorschriften af en verdienden daar een slordige veertig
miljoen dollar aan.
De dolle jaren twintig waren aangebroken. In de
speakeasies groeide de jazz, vrijgevochten
vrouwen waren er graag geziene gasten. Velen raakten aan de drank, maar geleidelijk
maakte de ruwe mannen-onder-mekaar mentaliteit van de saloons plaats voor een
meer geciviliseerde barcultuur.
Voor de rest was de Prohibitie één grote mislukking.
Het drankverbod bleef grotendeels dode letter. De overheid trok te weinig middelen
uit en er waren legio manieren om de wet te omzeilen. De bevoorrading mocht dan
wel vernietigd zijn, de vraag bleef voortbestaan, en met een minimum aan kennis
en middelen kan iedereen alcohol maken. In de dertien jaar van het verbod lag
het alcoholverbruik gemiddeld elf procent hoger. Het gangsterisme floreerde als
nooit tevoren, de maffia kreeg voet aan de grond, politie en politici werden omgekocht,
het geweld escaleerde.
De ontgoocheling over de in gebreke blijvende wet,
de toenemende corruptie en misdaad brachten een kentering teweeg. Opnieuw waren
het enkele opmerkelijke vrouwen die het voortouw namen in de strijd tegen corruptie,
hypocrisie, dubbele moraal en onverdraagzaamheid. Ondernemers, advocaten en bankiers
verenigden zich in een drukkingsgroep die de afschaffing van het 18de amendement
nastreefde.
De grote depressie (1929-1933) luidde het einde
van het drankverbod in. Op een bepaald moment was één op vier Amerikanen werkloos,
armoe leek wel besmettelijk. Met de drankindustrie waren ook duizenden banen verloren
gegaan. Grootindustriëlen en politici meenden dat, als de staat de alcoholbelasting
niet had moeten derven, de beurscrash had kunnen vermeden worden. 'Alcoholbelasting',
dat was het nieuwe toverwoord, sommigen verwachtten dat ze de persoonsbelasting
overbodig zou maken.
De pers begon de draak te steken met voorstanders
van de Prohibitie. Een presidentiële commissie die de effecten van het drankverbod
onderzocht, kwam begin jaren dertig tot een voorzichtig negatieve conclusie. Roosevelt
kondigde aan dat als hij president werd, het verbod opgeheven zou worden. Hij
haalde het. De hit uit die tijd, Happy days are here again, werd uit volle
borst meegezongen. Eind 1933 werd het 18de amendement afgeschaft, een unicum in
de Amerikaanse geschiedenis.
Achteraf gezien was de Prohibitie een achterhoedegevecht
tussen de eerste Amerikanen, Angelsaksen van protestantspuriteinse oorsprong,
en de nieuwe Amerikanen, de massaal toestromende immigranten. De drooglegging
was een expressie van de afkeer en angst van de landelijke protestantse middenklasse
voor grootstedelijke samenleving en migratiestroom.
De drugsoorlog die al enkele decennia in de VS
woedt, herinnert in menig opzicht aan de drooglegging. De gevolgen zijn even desastreus:
toenemende criminalisering, almaar meer gevangenen (het hoogste promille ter wereld),
stijgende criminaliteit, steeds duurder en gevaarlijker drugs. Hoog tijd, zou
je denken, voor een gecontroleerde legalisering van druggebruik en drughandel.
Edward Behr - Prohibition. The thirteen years that changed America, Arcade, 1997
- ISBN 1559703946
Deze bijdrage verscheen in
de reeks 'De Klassieker' in De Tijd
van 13 maart 2004.