Serendipiteit, de kunst van het onverwachte  
 

Over de auteur

 
   
   
   
   
   
   
   
   
 

Een gat in het geheugen
 

Geheugen en herinnering, ze fascineren van oudsher. Hoe bijvoorbeeld, zijn we er ons van bewust dàt we ons iets herinneren of dat we iets vergeten zijn? Hoe weten we dat het herinnerde, verleden en geen heden is; een voorbije ervaring en niet iets dat we nù gewaarworden of denken? En hoe weten we zo snel dat we iets niet weten? Augustinus vroeg het zich al af, de psychologie heeft er nog steeds geen antwoord op.

Deze en veel andere vragen komen aan bod in 'De metaforenmachine' van Douwe Draaisma (docent theorie en geschiedenis van de psychologie), een briljant geschiedkundig overzicht van de elkaar aflossende theorieën over geheugen en herinnering.

Om het ontastbare geheugen aanschouwelijk te maken en meteen te verklaren, doen mensen een beroep op metaforen, vaak ontleend aan nieuwe, tot de verbeelding sprekende, 'technische' middelen om ervaringen en kennis te bewaren. Prothesen van het geheugen, van wastablet tot computer. Die kunstmatige of externe geheugens ontlasten, vervangen en versterken de natuurlijke memorie én geven vorm aan onze opvattingen erover. Mensen doen nog altijd 'indrukken' of 'impressies' op, alsof het geheugen van was is en de herinnering een afdruk van een zegelring. Sommige herinneringen staan in het geheugen gegrift, als op een lei. We hebben het over een fotografisch geheugen, noemen de hersenen hardware en laten het brein op software draaien. De metaforen weerspiegelen een geestesklimaat, zijn met andere woorden zelf een vorm van geheugen.

De Grieks-Romeinse arts Galenus situeerde het geheugen in de achterste hersenholte waar belevenissen en kennis belanden na een lange tocht en bewerking door de hersenen. Wat onthouden bleef, werd letterlijk in het achterhoofd gehouden. Ook Socrates zag het geheugen als een afgesloten ruimte, met name een vogelkooi. De vogels staan voor kennis, een vogel vangen is je herinneren, weer wéten.

Schrift en boek, die ervaring en kennis voor tientallen generaties bewaren, gaven lange tijd voedsel aan de verbeelding over het geheugen. Zo ook de middelen om schriftelijke kennis te ontsluiten: inhoudstafels, registers, concordanties, bibliografieën, encyclopedieën, zoekmachines.

Metaforen verklaren de werking van het geheugen, richten het onderzoek en genereren nieuwe inzichten. Maar ze beperken ook, het geheugen wordt immers op een bepaalde manier omschreven, ingeperkt. Neem de fotografie, die van bij het begin (1839) model stond voor het visuele geheugen; foto's werden 'spiegels met een geheugen' genoemd. Zeer verhelderend, maar de fotografische beeldspraak bevroor herinnering en geheugen, fixeerde ze. Pas in 1895, met de uitvinding van de cinemafotografie, zouden ze weer in beweging komen.


Onthoofd

Draaisma schetst ontstaan, kracht en beperking van de metaforen. Het ging meestal om technieken die de wereld even op z'n kop zetten. De uitvinding van de fotografie werd geestdriftig en verbijsterd onthaald, sommigen hadden het over toverij en zwarte kunst. De vluchtigheid, wat mensen zien, vastgelegd... nooit eerder vertoond! Maar de eerste foto's, op verzilverde koperplaten of daguerreotypieën (naar de uitvinder Louis Daguerre), hadden een lange belichtingstijd nodig en daardoor ontsnapte het allervluchtigste, de beweging, aan fixatie. Een wachtend koetspaard dat de kop bewoog, werd onthoofd vereeuwigd. De foto van een Parijse boulevard, vol mensen en koetsen, was spookachtig leeg, 'alles wat bewoog, bewoog te snel om sporen na te laten op de gevoelige koperplaat'. Alleen de man die stilstond om zijn schoenen te laten poetsen, bleef zichtbaar.

Ook de mogelijkheid geluid vast te houden en opnieuw te laten weerklinken, sprak mensen sterk aan. In 'Pantagruel' (1532) beschreef François Rabelais de geluiden van een winterse veldslag die, kringend in het water, in ijs bevroren, en bij het intreden van de dooi weer vrijkwamen, zich lieten horen. Een eeuw of wat later beschreef C. Sorel, in een fictief reisverslag over afgelegen gebieden, een volk dat 'over lange afstanden communiceerde door een boodschap in te spreken in een spons'. De spons werd verstuurd, de ontvanger hield ze tegen het oor en kneep er zachtjes in om het bericht te beluisteren.

Ook de fonograaf werd als een ware omwenteling ervaren. Zoiets vluchtigs als geluid bewaren, muziek meer dan eens kunnen beluisteren... ongehoord! De fonografie verklaarde niet alleen het conserveren maar ook het reproduceren van herinneringen. In de hersenen moest zich een analoog proces afspelen, geluidsindrukken graven onzichtbare groeven, maken beddingen voor zenuwstromen. Latere prikkels volgen de bedding en reproduceren aldus de oorspronkelijke gewaarwording of gedachte. 'Als de fonograaf bewustzijn zou hebben', schreef een tijdgenoot, 'zou hij bij het afspelen van een melodie zeggen dat hij zich die melodie... herinnert'.

De techniek voorzag onze twee afstandszintuigen van kunstmatige geheugens, maar de andere zintuigen moeten het nog steeds zonder extern geheugen stellen. Voelen, ruiken en proeven kan alleen in de beslotenheid van het eigen geheugen. 'Er bestaat geen bril om beter te ruiken, geen spiegel om de smaak in te verdubbelen, geen kleurglas dat verandert wat we voelen'. Tast, reuk en smaak blijven ongewapend.


Netwerken

Rode draad in de geschiedenis van de geheugenpsychologie is de facilitatietheorie, 'het steeds gemakkelijker tot stand komen van een verbinding naarmate de geassocieerde elementen vaker te zamen worden geactiveerd'. Descartes had het over (voet)sporen of indrukken en vergeleek herinneringen met vouwen in papier, eens gevouwen valt het makkelijk terug in de plooi. Rond 1870 betoogde de fysioloog Ewald Hering dat organische materie ingesteld is op het bewaren en reproduceren van prikkels. Zoals voor een spier herhaalde bewegingen steeds makkelijker worden (training), slijpen ook mentale functies zich als disposities in de hersenen in. In de twintigste eeuw werden herinneringen (en associaties) verklaard door de hypothese dat tussen neuronen die herhaaldelijk samen actief zijn, de synaptische weerstand vermindert.

Ook de succesrijke computermetafoor voldeed uiteindelijk niet. Je kunt namelijk niet zonder extern gemaakte programma's, de metafoor veronderstelt een schepper. De cognitieve psychologie probeerde hier een mouw aan te passen en ging, om zich een beeld te vormen van de architectuur van ons geheugenprogramma, te rade bij artificiële programma's en systemen voor opslag, manipulatie en reproductie van gegevens. Het geheugen werd meer en meer een activiteit, een samenspel van neurale netwerken, met informatie die over de hele hersenen is verspreid (wat kan verklaren dat bij ernstige hersenschade geheugen en denkprocessen vaak intact blijven).

Maar de neurale netwerken zijn eerder een duplicaat van het verschijnsel dan dat ze het verklaren. De op computer uitgedokterde netwerken vertonen weinig overeenkomst met het hersenweefsel. En - steeds terugkerend probleem - hoe wordt men zich bewust van herinnerde beelden en geluiden, hoe kunnen fysische gebeurtenissen in de hersenen een bewuste kant hebben? Alle bestaande geheugentheorieën veronderstellen een instantie die het opgeslagen materiaal 'onthoudt' en 'herkent'.

Zoals zijn leermeester Piet Vroon, beklemtoont Draaisma dat in de psychologie (en niet alleen daar!) telkens weer het warm water wordt uitgevonden. Zonder het te beseffen, hernemen psychologen vaak in vergetelheid geraakte theorieën. De metaforen wisselen van gedaante, maar de kern blijft onveranderd. Dat ligt onder meer aan het feit dat het voorbije niet serieus genomen wordt, maar afgedaan als prewetenschappelijk. Men zou, schrijft Draaisma, 'de psychologie een beter geheugen toewensen'. Zijn geschiedenis van het geheugen is alvast een goede prothese.


Douwe Draaisma - De metaforenmachine. Een geschiedenis van het geheugen, Groningen, Historische Uitgeverij, 2003, 317 blz., 24,95 euro - ISBN 90 6554 489 5



Deze bijdrage verscheen in de reeks 'De klassieker' in De Tijd van 26 juni 2004.

 

 

 


Copyright © Gie van den Berghe. Some rights reserved.