Het
gezin Durlacher was in 1937 nazi-Duitsland ontvlucht. Hun huis in Rotterdam werd
een ontmoetingsplaats voor andere ontheemden, onder meer enkele opvarenden van
de St.-Louis, het schip dat in 1939 met 936 Duitse joden aan boord, allen voorzien
van een duur betaalde reispas voor Cuba, onverrichter zake moest terugkeren omdat
noch Cuba, noch een ander land op het nieuwe continent de vluchtelingen wou opnemen.
Uiteindelijk kregen ze asiel in Frankrijk, België en Nederland. In dat laatste
land werden ze nog voor de oorlog naar Westerbork overgebracht, het kamp dat de
overheid in het barre noorden liet optrekken voor Duits-joodse vluchtelingen.
In 1942 nam de Duitse bezetter het kamp over om van daaruit meer dan honderdduizend
joden richting gaskamers te deporteren.
Na
het bombardement op Rotterdam trokken de Durlachers naar de Veluwe, de groene
vlek in Gerards schoolatlas die schuilmogelijkheden leek te bieden. Begin oktober
1942 werden ze opgepakt en opgesloten in Westerbork, later gingen ze op transport
- 'vele angsten lang' - naar Theresienstadt en Auschwitz-Birkenau.
Alleen
Gerard overleefde, als bij wonder. Bij zijn terugkeer werd hij niet met open armen
ontvangen, familieleden hadden hem dood gewaand én gewenst (omwille van de schamele
bezittingen van zijn ouders). Gelukkig schonken enkele onbekenden en lotgenoten
hem warmte en vertrouwen. De verlatenheid bleef onmetelijk, maar stukje bij beetje
won hij aan zelfvertrouwen, groeide het gevoel het leven aan te kunnen, ondanks
alles.
Durlacher
werd socioloog, echtgenoot en vader. Maar het verleden, dat sloot hij af, omzien
naar het dodenrijk was te gevaarlijk. Hij richtte een brandscherm op tegen de
vele pijnlijke herinneringen, maar vonken lekten door de muur van ijs, voor 's
nachts. 'De gevoelens van toen, de angst en vertwijfeling, de machteloosheid en
woede, de pijn en het verdriet, als lava in een schijndode vulkaan', lieten zich
het zwijgen niet opleggen.
Reconstructie
Na
drie decennia brak Durlacher door het ijs. Aanleiding was de dood van een goede
vriendin, ook een overlevende van Auschwitz die er zo weinig mogelijk over praatte.
Op haar sterfbed kwam alles weer boven, een 'inferno van pijn en gruwelen'. Durlacher
realiseerde zich met een schok dat hem mogelijk hetzelfde te wachten stond. Hij
ging in therapie, 'om de hele rotzooi te verwerken'.
Geleidelijk
aan kon hij weer herinneringen toelaten tot zijn denken en voelen. Om het verleden
te bezweren, begon hij het te reconstrueren en erover te schrijven. Eén vraag
bleef hem hoog zitten: hoe kon men, hoe had hij deze Hades overleefd? Waren er
bepaalde overlevingsstrategieën? Door het 'waarom' en 'hoe' van de catastrofe
te achterhalen, waarom bijvoorbeeld de wereld zich blind en doof gehouden had,
probeerde hij zijn coördinaten te achterhalen. Ze tekenden zich steeds scherper
af. Hij en zijn ouders waren in mei 1944, samen met 7500 anderen, op transport
gesteld naar een zogenaamd familiekamp in Auschwitz-Birkenau in het kader van
de Verschönerungsaktion van Theresienstadt. Het getto werd met het oog op een
bezoek van afgevaardigden van het Internationale Rode Kruis gesaneerd. De delegatie
kreeg op 23 juni 1944 een schijnvoorstelling voorgeschoteld, valse voorzetgevels
opgesmukt met bloemen, gevangenen die muziek en voetbal speelden of in het gettocafé
de krant lazen. Door het naïeve rapport van de vertegenwoordiger van het IRK nam
de druk af om ook Birkenau te inspecteren; het familiekamp verloor zijn reden
van bestaan, het gros van de gevangenen werd het gas ingestuurd. Ondertussen maakte
de SS in Theresienstadt van de gelegenheid gebruik om een propagandafilm te draaien
die de wereld er moest van overtuigen dat de joden humaan behandeld werden. Eens
de geënsceneerde farce ingeblikt, verdwenen de 17.520 figuranten en filmers in
het niets van Auschwitz.
Overleven
Bij
de liquidatie van het 'familiekamp' in Birkenau werden 89 jongens, waaronder Gerard,
gespaard. In de jaren tachtig vond Durlacher na een lange zoektocht 19 overlevenden
terug. Hij beschrijft hun ontmoetingen,
gesprekken en hypothesen. Een reünie in Israël werd geen succes. Bleek dat ze
hun leven te danken hadden aan het feit dat de Lagerältester (de hoogst geplaatste
gevangene) van het familiekamp en de Duitse commandant van Birkenau elk een joodse
minnares hadden in het kamp, zij hadden hen overgehaald enkele jongeren een overlevingskans
te geven. De kwellende vraag kreeg een voor velen onaanvaardbaar antwoord.
Boek
na boek komt het eruit, worden andere en diepere lagen afgegraven; dat alles in
de onvoltooid tegenwoordige tijd. Het stille geluk van een nazi-vrij kinderjaar
in Baden-Baden, Durlachers geboortestad. Maar zelfs toen werd hij wel eens 'rotjood'
genoemd, terwijl op het nieuwjaarsbal van 1933 een onbekende pralines uitdeelde
aan joodse dames die kort nadien dringend naar het groot toilet moesten en zichzelf
bevuilden. Op de onderkant van de pralinedoos stond: 'Die Juden stinken, Heil
dem Führer', bezegeld door een hakenkruis. Toen de nazi's enkele weken later aan
de macht kwamen, zwaaiden schoolkinderen geestdriftig met hakenkruisvlagjes. Gerard
was er het hart van in dat hij van zijn ouders geen vlaggetje kreeg. Steeds meer
kennissen speldden hakenkruisjes op, keerden het joodse gezin de rug toe.
Een
overlevingstocht doorheen vreemde werelden met onverstaanbare talen, afspraken,
regels en gebruiken: nazi-Duitsland, Nederland, doorgangskamp, getto, uitroeiingskamp,
naoorlogs Nederland en Duitsland. Na een lezing van Durlacher in Baden-Baden haalden
de inwoners herinneringen op aan de goede oude tijd; ze hielden mordicus vol niets
geweten te hebben van kampen en uitroeiing. De socioloog weet dat Duitsland 'geen
land van blinden, stommen, doven was. Ieder die horen wilde, kon horen. Ieder
die zien wilde, kon zien'. Maar hij blijft mild, beklemtoont het hoopvolle, enkelingen
die tegen kuddegedrag ingingen, een helpende hand uitstaken. Bennie de bokser,
die weigerde andere gevangenen in mekaar te slaan en hen illegaal leerde boksen;
Dr. Belinfante die Gerard wegwijs probeerde te maken in filosofie en algebra,
al begreep ook hij niet wat hen overkwam.
Nood
en ellende worden ingehouden maar doordringend beschreven. Leed had iedereen op
zichzelf teruggeworpen. Door de opgekropte woede tegen hun lot, de vernederingen
en de vrees voor de toekomst, gedroegen veel gevangenen zich primitief; 'mannen
die vroeger leidende posities bekleedden, kiften als viswijven om een stukje worst
of een lepel jam meer of minder'. Bij niemand vond Gerard bescherming, ook bij
zijn vader niet; onder diens harde stem en hand kromp hij ineen, tot hij in opstand
kwam en met hem op de vuist ging.
Durlacher
was een oplettend observator en een voortreffelijk schrijver. Hij bleef de taal
die hij ooit niet verstond proeven en aftasten; hij smaakte elk ingrediënt en
vermengde ze tot beeldende combinaties. SS'ers schreeuwen met rechthoekige bekken,
kapo's slaan rijen recht terwijl de gevangenen, verlamd als konijnen in lichtbundels
van gevaar, wachten en wachten. Tot het te laat is.
G.L.
Durlacher - Verzameld werk, Amsterdam,
Meulenhoff, 1999, 31,50 euro (paperback) -ISBN 90 290 5437 9; in 2002 verscheen
een luxe-editie in vijf deeltjes, 75 euro - ISBN 90 290 7249 0
Deze
bijdrage verscheen in de reeks 'De Klassieker' in De Tijd van 24 juli 2004.