Nu de grote zingevende verhalen, van godsdienst
tot communisme, en de zingevingsinstituten, van Kerk tot Partij, grotendeels afgedaan
hebben, neemt de belangstelling voor esoterische zingeving zienderogen toe. Wondergenezers,
kuren en zingevingsverhalen rijzen als paddestoelen uit de grond. Handenvol geld
worden uitgegeven om ergens bij te horen, in iets te geloven, een beetje houvast
te hebben.
Zoals in het verleden dienen zich ook nu 'wetenschappelijke'
varianten aan, nieuwe totaalverklaringen. De evolutionaire psychologie bijvoorbeeld,
[1] een uit de VS overgewaaide mode die nu ook onze
faculteiten teistert, en met haar kant-en-klare theorietjes steeds vaker de media
haalt.
Het enthousiasme van jonge vrienden was zo groot,
hun evolutionair-psychologische verklaringen zo simplistisch en mijn ergernis
zo sterk, dat het me fair leek me even in de materie te verdiepen. Op mijn vraag
gaven enkele doorgewinterde believers
me twee boeken op die me zouden moeten overtuigen. Daarnaast zou ik één boek lezen
met argumenten tegen. De lectuur van de aanbevolen boeken leverde evenwel zoveel
kritiek op, dat dat laatste onnodig bleek [2].
Toen de believers
vernamen dat ik allesbehalve bekeerd was, opperden ze dat ik niet alle finesses
van de evolutietheorie begreep, dat het allemaal veel complexer was. Ze vergissen
zich en hadden mijn kritische vragen moeten beantwoorden. Een andere veelvuldig
gebruikte afwijzing van kritiek bestaat erin te suggereren dat hij van ideologische
of godsdienstige oorsprong is. Mensen dulden niet dat er getwijfeld wordt aan
de goddelijke of menselijke suprematie, ze gruwelen van genetisch determinisme.
Van dit alles heb ik, als determinist, onverbeterlijk scepticus en dwarsliggend
wetenschapper bijzonder weinig last. Mensen zijn beesten, wie daaraan twijfelt
kent zijn biologie én zijn geschiedenis niet.
De evolutionaire psychologie verklaart geest en
gedrag van mensen vanuit evolutionair perspectief. We stammen per definitie af
van succesvolle voorouders, moeten dus
de fysieke én psychische adaptatiemechanismen hebben overgeërfd die dat succes
mogelijk gemaakt hebben[3].
Gedrag werd uitgeselecteerd in functie van overleving
en maximale verspreiding van genen. Een complex orgaan als de menselijke geest
moet het product zijn van evolutie door
selectie. Gedrag is het product van "overgeërfde en betrouwbare psychologische
mechanismen, geëvolueerd door natuurlijke selectie", van angst voor gevaarlijke
slangen tot "de wens op te klimmen in de sociale hiërarchie, wat vele jaren
later betere toegang tot (seks)partners kan opleveren". Vermits de soort
mens 99% van zijn bestaan jager-verzamelaar is geweest (een betwistbare en betwiste
stelling), stamt het grootste deel van onze psyche en gedrag uit die periode.
De resterende tijd, één procent, is te kort om evolutionair van betekenis te zijn
(eveneens betwistbaar). Ons gedrag stamt uit het stenen tijdperk en we lopen rond
met een stone-aged brein.
Dat de geest uit duizenden psychische adaptaties bestaat die in de oertijd overleving en voortplanting
bevorderd hebben, wordt op generlei wijze aangetoond, alleen waarschijnlijk gemaakt
door een analogieredenering met erfelijke fysieke eigenschappen. Zoals het "in
het wezen van de natuur van een leeuw ligt om op vier poten te lopen, manen te
krijgen en te jagen op andere dieren voor voedsel", zijn ook onze psyche
en gedrag evolutionair bepaald.
Om de geest te ontrafelen bedenken evolutionair-psychologen
hypothesen over adaptaties uit de jager-verzamelaartijd. Daarop baseren
ze voorspellingen die ze proberen te confirmeren. Bevestigde voorspellingen worden
deel van de evolutionaire psychologie, de ontkrachte laten ze gewoon vallen, zodanig
dat de "kwaliteit van de hele onderneming cumulatief verhoogt". Ik verzin
dit niet, zo staat het in het universitaire leerboek van David M. Buss, professor
in de psychologie. Kennelijk ontgaat het hem dat dit ook de methode is waarop
vooroordelen teren. Wie alleen rekening houdt met vreemdelingen die stelen, bevestigt
natuurlijk zijn racistische overtuiging dat alle vreemdelingen stelen.
Buss is van oordeel dat "de formulering van
hypothesen een van de essentiële kenmerken is van elke wetenschap". Zeker,
maar het op de proef stellen van hypothesen, falsificatiepogingen zijn op zijn
minst zo belangrijk. Buss ligt er niet wakker van, spreekt zelfs een "hiërarchie
van analyseniveaus" af om falsificatie te voorkomen: "een bepaalde hypothese
over psychische mechanismen kan fout zijn, zelfs als de theorie één stapje erboven,
die tot de hypothese leidde, volledig correct is". Wetenschap met achterpoortjes.
Ze weten maar al te goed dat falsificatie er toe
doet. Daarom vermelden ze één keer een niet-geconfirmeerde hypothese. Gesteld
was dat seksuele agressie moet samenhangen met onthouding en frustratie. Maar
proefpersonen die een Self-Perceived Mating
Success Scale voorgeschoteld kregen en van zichzelf vonden dat ze veel succes
hadden bij vrouwen, scoorden tevens hoog voor seksuele agressie. Besluit: "de
resultaten ondersteunen de hypothese niet, waarmee is aangetoond dat evolutionair-psychologische
hypothesen gefalsifieerd kunnen worden"! Waaraan ze nog snel toevoegen dat
er misschien toch een uitweg is om de hypothese te redden (Buss, p. 322). Terloops
dit nog: de frustratie-agressie hypothese dateert uit 1939 en werd in de jaren
vijftig-zestig definitief verlaten.
Ook niet voorspelde fenomenen ondermijnen de theorie
niet, je moet gewoon nagaan of ze niet "ingekaderd kunnen worden in het grote
bouwwerk van de evolutionaire psychologie". Onbevredigende resultaten worden
ook meer dan eens naar de hand gezet. Neem hun theorie over zwangerschapsmisselijkheid,
een evolutionaire adaptatie om te voorkomen dat de moeder giftige stoffen inneemt
die de foetus kunnen schaden. Onderzoek zou aantonen dat zwangere vrouwen die
in de eerste trimester niet misselijk zijn bijna drie keer zoveel kans hebben
op een spontane abortus. Probleem: slechts 55% tot 75% van de zwangere vrouwen
heeft ooit last van misselijkheid. Oplossing: de andere vrouwen zijn nog niet
in aanraking gekomen met het voedsel waar ze misselijk van worden, anders zou
het wél 100% zijn.
Wetenschappelijk is anders. De werkelijke oorzaak
nagaan van die spontane abortussen; aantonen dat de aborterende vrouwen voedsel
hebben gegeten dàt tot abortus heeft geleid (is het verband niet dwingend dan
klopt de evolutionaire verklaring niet). Ze halen ook oorzaak en gevolg door elkaar.
Zwangerschapsmisselijkheid is het gevolg van een exponentiële aangroei van zwangerschapshormonen.
Dat bepaalde vrouwen niet misselijk worden, kan worden gezien als een eerste indicatie
dat er iets niet helemaal in orde is met zwangerschap en hormonenhuishouding.
Speculatie als methode
Evolutionair-psychologen beweren dat ze het bestaan
van gedrag verklaren door de evolutie ervan te analyseren. Maar dat doen ze geenszins.
Steevast leiden ze de functie van hedendaags gedrag en psychische mechanismen af uit hun twee basisprincipes
(overleving en maximale voortplanting), gekoppeld aan vage kennis over vroegere
jager-verzamelaars en wilde speculaties. Het bedenken van een evolutionaire functie
voor gedrag of emotie geldt kennelijk als voldoende bewijs voor het bestaan van
een psychisch mechanisme. Angst voor spinnen en slangen moet ons in de oertijd
voor dodelijke beten behoed hebben. Wie geen angst had, overleefde niet. Dat we
niet ook een aangeboren gave hebben om bijvoorbeeld eetbare en giftige paddestoelen
feilloos van uit elkaar te kennen, blijft een mysterie.
Ze verzinnen de psychische mechanismen terwijl
je erbij staat. Neem de savanne-hypothese, die hun "wetenschappelijke doelstellingen
moet verduidelijken". Onderzoek naar landschapsvoorkeuren zou hebben uitgewezen
dat mensen savanne-achtige omgevingen prefereren, "landschappen die voorzien
in voedsel, water, veiligheid en plaatsen die bescherming kunnen bieden tegen
slecht weer en grondverschuivingen". Proefpersonen in Australië, Argentinië
en de VS die foto's van bomen te zien kregen, gaven de voorkeur aan savannebomen.
Dus onze voorouders leefden in de Afrikaanse savanne. Of die voorkeur soms andere
oorzaken heeft, of hij gedeeld wordt door Eskimo's, Scandinaviërs, Belgen en bewoners
van kleine eilanden - ze vragen het zich allemaal niet af. Het bestaan van aangeboren
landschapspreferenties moet bovendien niet worden aangetoond bij volwassenen,
maar bij pasgeborenen of heel jonge kinderen.
Maar ze gaan door. Uit de "savannehypothese
volgt dat mensen een sterke voorkeur zullen hebben voor oogstsignalen - groen
van gras, bloesem van bomen, fruit op struiken". Briljant! Probleempje: "bloemen,
die mensen door de band niet eten, zijn toch universeel geliefd". Geen nood,
bloemen "signaleren de terugkomst van groen en fruit die zo lang afwezig
waren gedurende de wintermaanden". Bloemen "meebrengen voor een zieke
heeft echt een doel. Studies tonen aan dat de aanwezigheid van bloemen het herstel
van hospitaalpatiënten bevordert, hen in een meer positieve psychologische toestand
brengt". Niet inzien dat ziekenhuisbloemen op bezoek wijzen, sociaal contact,
aandacht en affectie en dat de zieke dààrvan opkikkert - hoe kun je zo verblind
zijn? Vergeet ook de alternatieve hypothese niet: onze voorouders aten wél veel
bloemen. Zeg het dus niet langer met bloemen, maak er een potje van!
Ook het feit dat mannen meer belang hechten aan
de fysieke verschijning van vrouwen dan andersom, moet een adaptatiemechanisme
zijn. Vrouwelijk schoon moet mannen aanwijzingen verschaft hebben over hun vruchtbaarheid.
"Mannen die geen voorkeur hadden voor kwaliteiten die hoge vruchtbaarheid
signaleren en die er de voorkeur aan gaven grijze vrouwen te trouwen ... zullen
minder nageslacht gehad hebben en hun lijn moet uiteindelijk uitgestorven zijn".
Jeugd en gezondheid zijn "de basisnormen voor vrouwelijke schoonheid en attractiviteit".
Schoonheid en esthetiek gereduceerd tot indicators van voortplantingswaarde. De
psychoanalyse deed het hen voor, zij het met de libido.
Een van de belangrijkste vrouwelijke kenmerken
waaraan mannen vruchtbaarheid herkennen, is de in 1993 door een evolutionair-psycholoog
'ontdekte' taille-heupenverhouding, de Waist Hip Ratio (WHR). De psycholoog van
dienst deed een onderzoekje met vrouwensilhouetten met verschillende WHR. En,
o wonder, mannen bleken op vrouwen te vallen met een taille-heupenverhouding van
0,70. Die lage WHR - smalle taille, brede heupen - zou op tweeërlei wijze met
grotere vruchtbaarheid verband houden. Vrouwen met de ideale maten worden sneller
zwanger in een vruchtbaarheidskliniek. Vrouwen met een hoge WHR hebben meer hartziekten,
endocrinologische problemen, diabetes, hoge bloeddruk, hartaanvallen, hersenbloedingen
en blaasstoornissen. "Gezonde, reproductieve vrouwen hebben een WHR tussen
0.67 en 0.80". Hoeveel vrouwen bij het onderzoek betrokken waren, hun representativiteit
en de significantie van de onderzoeksresultaten - je hebt er het raden naar. Hoe
zit het met de WHR van vrouwen zonder vruchtbaarheidsproblemen? Hadden sommige
oermoeders al een ideale WHR? Vielen mannen daar toen al voor? De professoren
gynaecologie en geneeskunde die ik raadpleegde, hebben nog nooit gehoord van een
verband tussen WHR, vruchtbaarheid en gezondheid. Het leek hen allemaal bijzonder
speculatief. Verschillen in taille-heupenverhouding hebben met androgeniciteit
(mannelijke ontwikkelingsvormen) te maken, maar het verschil tussen bijvoorbeeld
70 en 85% is te klein om een weerslag te hebben op de vruchtbaarheid.
Evolutionair-psychologen houden er rare methodes
op na. Vanuit hun beperkte theoretische achtergrond formuleren ze een hypothese,
doen een daarop gebaseerde voorspelling en zoeken naar empirische gegevens om
die te bekrachtigen. Maar theoretische achtergrond, hypothese en voorspelling
omvatten telkens, onvermijdelijk zelfs, voorkennis van de empirie. Zo voorspellen
ze dat de kans dat mannen geweld gebruiken groter is dan bij vrouwen, om dan aan
te tonen wat iedereen al lang weet en ook uitputtend werd bestudeerd in de psychologie,
sociologie en geschiedschrijving.
Behalve vooruit, redeneren ze ook graag achteruit,
want "onze hedendaagse psychische mechanismen voorzien ons van vensters op
de aard van de aanpassingsproblemen waarmee onze voorouders worstelden".
Onze partnervoorkeuren zouden alles vertellen over paarvorming in het verleden.
De hedendaagse preferenties worden op verre voorouders geprojecteerd en 'verklaard'
als evolutionaire adaptatiemechanismen uit de oertijd, om dan te besluiten dat
onze voorkeuren daaruit voortkomen. Einde van de cirkelredenering. Ze gaan uit
van wat bewezen moet worden, met name de erfelijke bepaaldheid van partnervoorkeuren,
psyche en gedrag.
Veel veronderstellingen, weinig serieus onderzoek.
Wat aanvankelijk mogelijk wordt genoemd,
is een paar zinnen of bladzijden verder al geëvolueerd tot een ontdekking. Hun "Grote Verhaal"
staat vol met 'misschien', 'het is niet uitgesloten', 'moet hebben geleid', 'het
schijnt dat', 'stel dat'. Nelissen, professor in de gedragsbiologie, geeft dat
volmondig toe, maar ziet geen graten in "deze evolutionaire manier van redeneren"
(sic). Ze is "verantwoord omdat er veel mutaties mogelijk zijn in ons genoom
en ik bij elke 'stel dat' alleen de mutatie heb gekozen die een hogere fitness
scoort, en zich dus in elk geval zal verspreiden in de populatie". Of hoe
speculaties in mutaties muteren.
Teleologie
Bijna alles wat bestaat moet door selectie ontstaan
zijn. Alles heeft een evolutionaire functie. "Als voorouderlijke vrouwen zich vrijwillig en herhaaldelijk aan korte
termijn paarvorming overgaven, dan zou
het tegen de evolutionaire logica indruisen als er geen voordelen waren voor de
vrouw om dat te doen" (mijn cursivering). De universaliteit van seksuele
jaloersheid zou aantonen "dat voorouderlijke vrouwen en mannen niet noodzakelijk
seksueel trouw waren aan hun partners". Waren ze dat wel geweest, dan hadden
mannen niet zo'n krachtig psychisch mechanisme nodig gehad. Attituden en gedrag
moeten "een evolutionair voordeel opgeleverd hebben, anders zouden ze niet
ontstaan zijn". Waarmee de cirkel rond is.
Niets is toevallig, alles heeft een doel. Dat er
ook evolutiebiologen zijn, Stephen Jay Gould bijvoorbeeld, die de rol van het
toeval beklemtonen en aantonen dat niet elke structuur of gedrag het resultaat
is van evolutionaire aanpassing, dat "zelfs unieke menselijke kwaliteiten,
zoals taal, slechts incidentele bijproducten zijn van onze grote hersenen",
wordt alleen terloops vermeld en zonder meer opzij geschoven. De evolutie wordt
gepersonifieerd ("de evolutie, zuinig en economisch zoals altijd", "de
evolutie, als een goede huisvader, vond het niet economisch om", "de
evolutie vond het nodig"). De verzelfstandigde evolutie, iets scheppends,
iets goddelijks. Een nieuwe scheppingsleer, paradoxaal genoeg gebaseerd op de
evolutietheorie, toch het tegendeel van het creationisme.
Evolutionair-psychologen zeggen wel dat mensen
meestal niet bewust bezig zijn met overleving en genenverspreiding, maar hun geschriften
puilen uit van intentionalisme en teleologisch denken. Mensen zouden wereldwijd
een afkeer hebben van uitwerpselen "omdat ze in de loop van de evolutie een
predispositie hebben verworven om te walgen van bepaalde klassen van voorwerpen,
zoals faeces en andere ziektenoverdragers die de gezondheid en overleving kunnen
schaden" (was dat maar waar, gedaan met de meeste seksueel overdraagbare
ziekten!). De afkeer van uitwerpselen is trouwens niet aangeboren, integendeel,
het is een goed voorbeeld van de impact van opvoeding en cultuur. Kinderen moeten
in zindelijkheid getraind worden. Hun fascinatie voor uitwerpselen is veelal zo
groot, dat Freud er zich door liet inspireren voor de anale fase. Overigens blijven
veel zoogdieren trouwens levenslang geïnteresseerd in uitwerpselen, onder meer
omdat ze er hun territorium mee markeren.
Onbewezen bewijzen
Evolutionair-psychologen moeten de evolutionair-genetische
bepaaldheid van menselijke attituden en gedrag aantonen. Tussen de regels van
triomfkreten en zogenaamd confirmerend onderzoek geven ze toe dat nog voor geen
enkele gedragswijze werd aangetoond dat ze volledig bepaald wordt door één of
meerdere genen. Ondanks de vele euforische berichten die de wereld worden ingestuurd,
is er voorlopig alleen sprake van op sterke vermoedens gebaseerde gissingen [4]. Volgens Nelissen volstaat het te beseffen dat
zenuw- en spiercellen genetisch bepaald zijn. De "dingen die het gedrag mogelijk
maken, onze infrastructuur, is erfelijk bepaald; dat is dus al een duidelijke
erfelijke component van ons gedrag". Het is vooral een drogredenering, de
eigenschappen van een fundament zijn niet noodzakelijk de eigenschappen van wat
erop gebaseerd is.
Nelissen beseft dat sommige sceptici zijn redenering
een te grote stap zullen vinden, en gaat op zoek naar aangeboren gedrag - de wenkbrauwgroet
(dat ik daar niet zelf opgekomen ben!). Het lichtjes optrekken van de wenkbrauwen
bij een vriendelijke begroeting zou eigen zijn aan de soort, dus genetisch bepaald.
De groet is al heel oud, ook mensapen en apen brengen hem. Niet bepaald overtuigend.
Met zo'n ruime definitie van gedrag vallen ook erecties, maagoprispingen, ademhalen
en het naar het licht groeien van planten eronder. Maar onverstoorbaar besluit
Nelissen dat gedrag minstens gedeeltelijk bepaald is door informatie in het DNA,
dus van generatie tot generatie wordt overgedragen en bijgevolg onderhevig is
aan natuurlijke selectie. Gedrag kan evolueren en "dat is het bewijs waarnaar
wij zochten ... het gedrag van een soort is mede te verklaren vanuit het gedrag
van de voorouder waaruit die soort is geëvolueerd". Het zal wel aan mij liggen,
maar de kracht van deze bewijsvoering ontgaat me compleet. Vergeet ook niet dat,
eens de genetische bepaaldheid van een gedrag zou zijn aangetoond, er nog moet
worden nagegaan of die gedragsgenen terug te vinden zijn in het DNA van fossiele
resten van onze voorouders.
Evolutionair-psychologen gaan er stilzwijgend vanuit
dat gedrag en psyche al die tijd vrijwel onveranderd gebleven zijn. We zouden
genetisch zo goed als stilgestaan hebben. Ze moéten dat wel aannemen, anders stort
hun hele theoretische kaartenhuisje ineen. Gedrag en psyche van onze voorouders
kunnen immers niet echt onderzocht worden, dus ook niet vergeleken met hun hedendaagse
tegenhangers. Wat we wel met zekerheid weten, is dat de toenmalige omgeving en
levensomstandigheden drastisch verschilden van de hedendaagse. Vandaar dat ze
a priori aannemen dat milieu en cultuur weinig effect hebben op gedrag en psyche,
en er verder zo min mogelijk aandacht aan besteden.
Nelissen gaat er toch éven op in. De mens heeft
zijn omgeving danig veranderd, ook sociaal. Onze genetisch vastgelegde aanpassingen
hebben dat niet kunnen volgen. De natuurlijke selectie heeft veel meer tijd nodig,
duizenden generaties. Voor de biologie tellen de laatste tienduizend jaar gewoon
niet mee. Maar er hebben zich wel "enkele kleine veranderingen voorgedaan
in ons genetisch patrimonium", al hebben die "het bouwplan van onze
soort niet wezenlijk veranderd ... ons erfgoed aan gedragingen stemt nog voor
99% overeen" met dat van onze verre voorouders. Maar bewezen wordt de veronderstelde
evolutionaire stilstand niet.
Evolutionair-psychologen ontkennen bij hoog en
laag dat ze genetische deterministen zijn, dat is slechts een "vooroordeel
van de tegenstanders". Maar hun weerlegging rammelt aan alle kanten. Ze doen
weinig meer dan ontkennen, om dan in alle talen te zwijgen over milieu-invloeden,
opvoeding en cultuur. Ze noemen de tegenstelling nature-nurture terecht vals. Maar zij doen
dat niet omdat biologie én cultuur belangrijk zijn en elkaar beïnvloeden, maar
omdat "alle theorieën over de invloed van de omgeving uiteindelijk berusten
op een grondslag van geëvolueerde psychologische mechanismen, of ze nu wel of
niet als dusdanig worden erkend". De "capaciteit tot culturele evolutie
is op zich een biologische eigenschap die als dusdanig afhankelijk is van de genen".
De evolutie "heeft de structuren gecreëerd die nodig waren om de cultuur
mogelijk te maken, namelijk de organisatie van onze hersenen." Voilà, opgelost!
Geen cultuur zonder biologie, àlles is natuur.
De onbewezen aanname die schuilgaat in hun hoofdhypothese
- onveranderd, evolutionair en erfelijk bepaald gedrag - invalideert elke evolutionair-psychologische
subhypothese en haar confirmatie. Veel van wat over onze voorouders als vaststaand
wordt verondersteld, is dat niet. Wat doet hen bijvoorbeeld veronderstellen dat
er toen al sprake was van durende paarvorming? Waarom zouden vrouwen niet buiten
een man gekund hebben tijdens de zwangerschap en voor de opvoeding? Omdat ze niet
uit jagen konden, luidt het. Maar alles kon toch net zo goed geregeld worden in
de (vrouwen)groep? En wie zegt dat onze hersenen niet geëvolueerd zijn, dat ze
destijds op dezelfde manier werkten?
Totaalverklaring
Zelftwijfel is hen vreemd, de hele psychologie
moet "worden georganiseerd rond de aanpassingsproblemen waarmee onze verre
voorouders werden geconfronteerd". De evolutietheorie "levert een algemeen
geldende manier van denken, die op allerlei andere gebieden kan worden toegepast":
psychologie, psychiatrie, sociologie, geneeskunde, filosofie, economie, politiek
en cultuur.
Een totaalverklaring hoort alles te verklaren,
ook - misschien vooral - wat ertegen indruist. Zelfdoding bijvoorbeeld, evolutionair
gezien toch een ongerijmdheid. Zo een mouw aan gepast! Zelfdoding "komt het
meest voor bij individuen die weinig bijdragen tot het welzijn en de reproductie
van zichzelf en hun familie". Mensen met een slechte gezondheid, weinig heteroseksueel
succes, chronisch gehandicapten, mislukkelingen; kortom, al wie de genetische
familie tot last is. De genen van zo'n individu "hebben meer kans zonder
hem of haar", broers en zussen zijn immers voor 50% genetisch verwant. Nu
nog de volgende stap: een zelfdodingsgen bedenken dat ooit verwijderd kan worden.
Altijd beter dan gehandicapten en mislukkelingen een handje toesteken.
Andere oorzaken en motieven, van onbeantwoorde
liefde tot sociaal-economische uitzichtloosheid, blijven onbesproken. Wel ondervragen
ze mensen die een zelfdodingspoging achter de rug hebben, al beseffen ze dat dat
niet helemààl hetzelfde is als zelfdoding. Ziet u zichzelf als een last voor uw
familie? Heeft u succes bij het andere geslacht? Hoe frequent heeft u seks? Hoeveel
homoseksuele vrienden heeft u? Bent u gezond en kapitaalkrachtig? Dit leidde tot
de 'verrassende' vaststelling dat individuen met een laag reproductief potentieel,
die de familieleden belasten, meer zelfdodingsideeën hebben, depressiever en hopelozer
zijn. Tja, hoe depressiever een mens, hoe lager de zelfwaardering... Of de beweringen
van de ondervraagden ook met de werkelijkheid strookten, werd niet nagegaan. Je
hebt er ook het raden naar hoe de onderzoekers de ondervraagden op het spoor zijn
gekomen. Misschien wel via de dienst spoedopnames. Hoelang na hun zelfdodingspoging
werden ze ondervraagd? Onze nieuwlichters staan er niet bij stil en "besluiten
theoretisch dat er condities zijn die uitselecteren voor psychologische mechanismen
die een persoon ertoe aanzetten zelfdoding te plegen. Die condities draaien rond
falen in de hetereoseksuele wereld en het tot last zijn van de naaste familie".
Wat kan wetenschap eenvoudig zijn!
Ook conflicten tussen ouders en kinderen, de voertuigen
van hun genen, lijken onverklaarbaar. Geen paniek, zo gefikst! Ouders en kinderen
delen slechts 50% van hun genen. Die conflicten vormen dus geen probleem, integendeel,
de evolutionaire psychologie voorspelt ze. Waarop deze "vruchtbare theory
of parent-offspring conflict" wordt aangewend om het Oedipuscomplex te
heronderzoeken. Als Freud het bij het rechte eind had, dan moeten er in de oedipale
fase - van twee tot vijf jaar - meer conflicten zijn tussen personen van hetzelfde
geslacht. Maar volgens de evolutionaire psychologie kunnen conflicten tussen vader
en (jonge) zoon niet van seksuele aard zijn, en al helemaal niet rond de moeder
draaien. Mannen hebben namelijk een voorkeur voor jonge vrouwen, een zoon kàn niet seksueel
geïnteresseerd zijn in zijn moeder. Vergeten ze nu toch wel dat het volgens hun
theorie niet om jeugd gaat, maar om
de daarmee samenhangende vruchtbaarheid...
Ze laten zich door niets afleiden, en testen de
"Freudiaanse voorspelling" dat er in de oedipale fase veel gemoord wordt
tussen personen van hetzelfde geslacht. Waarbij ze uit het oog verliezen dat de
twee- tot vijfjarige zoon de moordenaar moet zijn (Oedipus vermoordde zijn vader
Laius, niet andersom), en dat Freud het niet over daden maar over (onbewuste)
wensen had. Maar hun gelijk zullen ze halen: zestig procent van de familiale moorden
van mannen op mannen wordt in de puberteit en volwassenheid gepleegd, "meer
dan een decennium nadat het Oedipuscomplex verondersteld wordt te eindigen".
De cirkel is rond, ook Oedipus was volwassen toen hij zijn vader doodde (Freud
gebruikte het verhaal natuurlijk metaforisch).
Evolutionair-psychologen hébben iets met Freud
en psychoanalyse. Meer dan eens verwijzen ze naar wat ze een "mijlpaal in
de ontwikkeling van de gedragsstudie" noemen. Verwonderlijk is dat niet,
Freud postuleerde bijna dezelfde aangeboren driften als zij. Ondertussen wordt
de psychoanalyse wel vrij algemeen als onwetenschappelijk afgedaan, onder meer
omdat haar stellingen niet falsifieerbaar zijn.
Gekunsteld
Alles moet evolutionair verklaard worden. Het kan niet
dat "mensen met zoveel activiteiten bezig zijn die absoluut niets te maken
lijken te hebben met overleving en reproductie". Waarom besteden mensen zoveel
tijd aan het scheppen en verbruiken van kunst, literatuur, muziek, sport? Dat
moet te maken hebben met voortplantingscompetitie, vrouwen versieren. Vandaar
dat mannen in alle culturen meer kunst, muziek en literatuur hebben voortgebracht.
Vrouwen zijn nu eenmaal niet geïnteresseerd in kortetermijnseks. Vergeef me mijn
kinderlijke nieuwsgierigheid, maar hoe verklaar je dan dat niet alle mannen kunstenaars
zijn en er almaar meer kunstenaressen zijn?
Ze weten van geen ophouden. De meeste grote kunstwerken
en muziekstukken worden in de jonge volwassenheid vervaardigd, de periode waarin
mannen druk bezig zijn met intraseksuele partnercompetitie. Van de 1892 albums
van 719 jazzmuzici die ze onderzochten, werden de meeste door jonge dertigers
geproduceerd. Eens te meer worden geen alternatieve verklaringen weerhouden. Niet
iedereen kan zijn beroep maken van jazz, velen moeten voortijdig afhaken. Evolutionair-psychologen
hadden de individuele productie van grote jazzmusici moeten onderzoeken, en aandacht
moeten besteden aan andere genres en kunsten. Dan hadden ze waarschijnlijk vastgesteld
dat het hoogtepunt van bijvoorbeeld componisten en dirigenten later valt.
Ook de evolutionair-psychologische verklaring voor
het feit dat mannen doorgaans beter fluiten dan vrouwen, verdient vermelding.
Wat dacht u: om vrouwen te versieren, maximale verspreiding van de genen! Ook
mannetjesvogels lokken al fluitend partners (blijkbaar hebben evolutionair-psychologen
nooit gehoord van territoriumafbakening of fluiten in het donker). Onderzoek wees
uit dat het mannenfluiten vrijwel universeel is; dat er vooral naar jonge en mooie,
dus vruchtbare vrouwen wordt gefloten; dat mannen in de fleur van hun leven meer
fluiten dan ouderen. En het werkt: veel vrouwen kijken om als er bewonderend gefloten
wordt. Mannen die regelmatig achter vrouwen fluiten, hebben waarschijnlijk. meer
succes bij het andere geslacht, maar dat moet nog "definitief bevestigd worden
door onderzoek". Misschien heb ik het verkeerd voor, maar moeten jongens
niet flink oefenen om te leren fluiten, en zijn er niet ook meisjes die het onder
de knie krijgen?
Voortplanting zonder seks
Alles wordt zo voortplantingsgericht verklaard,
dat ik af en toe de indruk kreeg dat de katholieke kerk het toch bij het rechte
eind had. Dat vrouwen bij de partnerkeuze kieskeuriger zijn dan mannen, komt doordat
ze biologisch meer moeten investeren in reproductie (negen maand zwangerschap,
om maar iets te noemen). Daarom slapen vrouwen niet met om het even wie. In duizenden
generaties tijd hebben ze een voorkeur ontwikkeld voor mannen die bereid en in
staat zijn zich te binden en in nageslacht te investeren. Misschien hebben vrouwen
zelfs een "aangeboren theorie van de mannelijke geest", een module "die
hen in voorouderlijke milieus behoedde voor ongewenste of ongelegen zwangerschap
zonder investerende man". Ik zal wel een kniesoor zijn, maar het ontgaat
me hoe de vele ongewenste zwangerschappen en abortussen in verleden en heden verklaard
kunnen worden.
Voorspelling: vrouwen zullen vooral die kwaliteiten
in mannen waarderen die met economische bronnen te maken hebben (sociale en financiële
status, iets oudere leeftijd...). En wat blijkt? Amerikaanse vrouwen géven de
voorkeur aan mannen met veel bronnen. Maar waarom moet dit aangeboren zijn? Nogal
wat volwassenen zien het als een vorm van good thinking en houden dat ook voor aan
hun kinderen. Werd deze voorkeur ook vastgesteld bij kinderen en adolescenten?
En waarom verklaren ze niet dat die economische bronnen slechts 1,8 scoorden op
een schaal van 1 tot 3, en dat vrouwen in het ene land er twee keer meer belang
aan hechten dan in het andere?
Ook de sterke seksuele jaloersheid van mannen heeft
met voortplanting te maken, gewoon een psychisch mechanisme dat "de kans
op vaderschap vergroot". Mannen "die onverschillig waren voor het potentieel
seksueel contact tussen hun vrouwen en andere mannen zijn onze voorouders niet".
Maar wat als in de oertijd iedereen het met iedereen deed? Wie zegt dat jaloersheid
altijd bestaan heeft? Een voorvader interpelleren? Natuurlijk speelt de zorg om
het vaderschap een rol, maar van groter belang is dat seks voor veel mannen een
schaars goed is. Vrouwen hebben gemiddeld minder (vaak) zin in seks dan mannen.
Mannen hebben ook een bijna tien keer hogere concentratie van testosteron, het
hormoon dat onder meer seksuele lust opwekt. Deze alternatieve verklaring zit
zelfs evolutionair snor; anders dan genitale zwelling en orgasme bij de vrouw,
zijn mannelijke opwinding (penetratie) en orgasme (ejaculatie) onontbeerlijk voor
de voortplanting. Dat het meer met seks dan met voortplanting te maken heeft,
moge ook blijken uit het feit dat weinig mannen spermadonor willen worden.
De verschillende seksuele drift bij man en vrouw
verklaart op eenvoudige wijze de vele 'raadsels' die evolutionair-psychologen
beweren op te lossen door een voortplantingsdrift te veronderstellen. William
of Ockham, een Brits filosoof, stelde al in de veertiende eeuw dat wanneer een
fenomeen op eenvoudige wijze verklaard kan worden, er geen vergezochte verklaringen
en onnodige entiteiten verzonnen moeten worden. We verjagen vliegen en muggen
niet omdat dat in de oertijd een evolutionair voordeel opleverde (minder infecties
en malaria), maar omdat het vervelende beesten zijn die ons uit onze slaap houden
en jeuk veroorzaken.
Alles wordt in het evolutionaire keurslijf gedwongen.
De drang om zich snel voort te bewegen moet een psychisch mechanisme zijn, anders
ware hij nooit ontstaan. Het verband met de jacht op beesten en vrouwen ligt voor
de hand. Wie eerst komt, eerst maalt. Trouwens, ook vandaag zijn het vooral jonge
mannen en macho's die snel rijden, degenen ook die het drukst in de weer zijn
met genenverspreiding.
Zo kan ik er ook een paar bedenken. Mannen kunnen
doorgaans harder lopen dan vrouwen. Om achter wild en vrouwen te zitten natuurlijk,
en aan rivalen te ontkomen. Dat nogal wat mensen er veel voor over hadden om te
kunnen vliegen, zelfs hun leven op het spel zetten, wijst op evolutionaire banden
met de vogels. Zoals de universaliteit van het naar de kust trekken in week-ends
en vakanties, aantoont dat we ooit in zee geleefd hebben. In navolging van Desmond
Morris neemt Nelissen wel aan dat vrouwenborsten hun bestaan danken aan het 'feit'
dat, toen mensen de rugwaartse paring inruilden voor de frontale paring de "signaalfunctie
van de billen wegviel". Daarom "moest er een prikkelproducent aan de
voorkant van de vrouw worden gemaakt ... de borsten zijn een soort nabootsing
van de billen geworden".
Volgens "de conventionele wetenschap"
zijn er geen aanwijzingen dat mannen de eisprong van vrouwen kunnen detecteren.
Volgens de evolutionaire psychologie - die onconventionele wetenschap - kan dat
niet. Kennis van het moment van de ovulatie levert immers een te grote reproductieve
winst op. Experiment: Een bar met ovulerende en niet-ovulerende vrouwen. Geduldig
telwerk wees uit dat mannen het meest huidcontact hadden met ovulerende vrouwen.
Bij wijze van hoge uitzondering hebben onze onderzoekers hun kritische zin eens
niet uitgeschakeld. Misschien ligt het aan de ovulerende vrouwen, zenden ze meer
seksuele signalen uit, tonen meer blote huid, dragen kortere en spannender rokken?
Definitieve studies moeten uitsluitsel bieden, maar "de beschikbare feiten
laten toch toe te besluiten dat er potentiële, observeerbare fysieke veranderingen
zijn in de huid en het lichaam van een vrouw die ovuleert, veranderingen waarvan
men weet dat ze seksueel aantrekkelijk zijn voor mannen".
Zoals altijd word je in het ongewisse gelaten over
precieze omstandigheden, aantal proefpersonen (vaak veel te klein), hoe ze werden
geselecteerd en hoe significant de onderzoeksresultaten zijn. Kleden de prikkelende
vrouwen zich altijd erotisch of alleen als ze ovuleren of naar een bar gaan? Doe
het ultieme experiment: stop een reeks ovulerende en niet-ovulerende aantrekkelijke
vrouwen in dezelfde kledij en zie of mannen er de eisprongen uithalen.
Moord en verwantschap
Alternatieve verklaringen worden, zoals gezegd,
zelden of nooit vermeld of onderzocht. Neem hun stelling "hoe kleiner de
genetische verwantschap tussen een volwassene en een kind, hoe groter de waarschijnlijkheid
van kindermoord". Heel groot dus bij stiefouders, die geen belang hebben
bij de voortzetting van de vreemde genen van hun stiefkinderen. Blijkt dat de
kans dat stiefouders hun kinderen mishandelen, veertig tot honderd maal groter
zou zijn dan bij biologische ouders, vooral in de leeftijd tot twee jaar.
Deze evolutionaire verklaring is overbodig, er
zijn genoeg andere factoren die het fenomeen kunnen verklaren: kinderen die de
stiefouder afwijzen, rivaliteit om de gunst van de vrouw, voortrekken van de eigen
kinderen, minder harmonieuze gezinnen (vrouwen met kinderen van nog geen twee
die al aan een stiefvader toe zijn)... Maar de evolutionair-psychologen triomferen:
gedrag dat we abnormaal noemen, blijkt een biologische grondslag te hebben (en
dus normaal te zijn?). Ze hadden de volgende stap moeten zetten. Uit de evolutionaire
logica volgt namelijk ook dat adoptie-kinderen nog vaker mishandeld en vermoord
moeten worden, adoptie-ouders zijn immers op geen enkele wijze biologisch verwant
met hen. Maar evolutionair-psychologen reppen met geen woord over adoptie, die
al te zeer indruist tegen hun grondstelling. Gezien de sterke kinderwens van adoptie-ouders
en de moeite die ze doorgaans moeten doen om hem te realiseren, is het niet onwaarschijnlijk
dat kindermishandeling en -moord bij hen minder vaak voorkomen. Dat moet in al
zijn complexiteit onderzocht worden, rekening houdend met de sociaal-economische
status van de ouders, de leeftijd van de geadopteerde en dies meer.
Onze totaalverklaarders voorspellen dat hulp onder
verwanten moet toenemen in functie van genetische verwantschap en reproductieve
waarde van de hulpbehoevende. Gemakshalve laten ze buiten beschouwing dat de emotionele
band met vaders, moeders, broers en zussen meestal sterker is dan die met neven
en nichten. In feite moeten ze hun stelling beproeven op broers en zussen die
onafhankelijk van elkaar zijn opgegroeid. Maar ze houden het liever simpel, doen
nog maar eens een enquête. Blijkt dat slechts één derde van de hulp naar familie
gaat, de rest naar goede vrienden. Geen nood, er werden alleen vrouwen ondervraagd,
wordt de enquête uitgebreid tot mannen en andere culturen dan zal het familieverband
een veel grotere rol spelen. Waarmee de kous nog maar eens af is.
Dat sommige ouders hun kinderen bevoordelen, ligt
aan de "grotere reproductieve return" die ze bieden "voor de ouderlijke
investering". Kinderen met erfelijke afwijkingen als spina bifida, gespleten
verhemelte en het syndroom van Down, zullen vaker verwaarloosd en mishandeld worden.
Logisch, hun reproductieve waarde, "de verwachte waarschijnlijkheid van toekomstige
voortplanting", ligt lager. Bewijs: veel van die kinderen worden in een ziekenhuis
of home opgenomen en 12% krijgt nooit bezoek. Dat probleemkinderen botsen met
de verwachtingen van ouders, dat de identificatie moeilijker verloopt, dat je
er niet mee kunt uitpakken en de buitenwereld vreemd reageert, dat ze veel meer
aandacht en zorg vergen, zwaarder op het gezin wegen... evolutionair-psychologen
malen er niet om.
Het doorslaggevend belang van de reproductieve
waarde zou ook blijken uit volgende voorspelling: "hoe jonger het kind, hoe
groter de waarschijnlijkheid dat ouders het vermoorden, maar dit leeftijdsafhankelijk
patroon van kindermoord zou niet mogen voorkomen als de moordenaar geen verwant
is, aangezien vreemden niet hetzelfde belang hebben bij de reproductieve waarde
van het kind". En zie: vanaf het veertiende levensjaar stijgt het risico
door een vreemde vermoord te worden beduidend, terwijl het bij ouders daalt. Wat
wil je, kleine kinderen leven nu eenmaal met hun ouders samen en niet met vreemden
(met uitzondering van stiefouders die volgens de evolutionaire psychologie inderdaad
meer piepjonge kinderen vermoorden - zie hierboven). Vreemden maken er ook geen
gewoonte van huizen binnen te dringen om baby's of kinderen te vermoorden. En
jongeren rond de veertien bewegen almaar zelfstandiger in de buitenwereld, nemen
meer risico's, kunnen lid worden van een bende, deelnemen aan straatgevechten...
Een spermasoep is het
De spermacompetitie is een leukere hypothese. Bij
een experiment waarbij sperma van twee mannen in een proefbuis werd vermengd,
bleek dat de spermatozoïden van de een die van de ander aanvielen en doodden.
Overhaaste conclusie: er is bij alle zoogdieren sprake van een sperma-oorlog en
gespecialiseerde spermatozoïden die elkaar naar het leven staan. Hypothese: "de
functie van een grote spermaproductie bestaat erin sperma van concurrerende mannetjes
te verdringen om de kans te vergroten dat ze de eicel bevruchten". Voorspelling:
hoe promiscuer een soort, hoe meer spermacompetitie, hoe meer sperma en hoe groter
de teelballen. Onderzoek: teelballen wegen en uitzetten tegenover lichaamsgewicht.
Ik begrijp er niets meer van; ze hadden toch lozingen, vorm en levenskracht van
spermatozoïden moeten onderzoeken? Maar goed, misschien hadden de apen wel iets
aan dat teelbalheffen. Resultaat: de minst promiscue mensaap, de gorilla, heeft
verhoudingsgewijs de lichtste teelballen. Volgen orang oetan, mens en chimpansee,
de De Sade onder de primaten. Conclusie: mannetjes van een soort met intense spermacompetitie
(lees: grote promiscuïteit) hebben een groter teelbalvolume dan de minder promiscue.
Maar betekent dat nu juist niet dat mannetjes van dezelfde soort verhoudingsgewijs
ongeveer even zware teelballen en dus evenveel sperma hebben? En is dat niet veeleer
een falsificatie dan een confirmatie van hun hypothese? Teelbalgewicht is positief gecorreleerd met hoeveelheid sperma, maar de verschillen
zijn alleen van belang als je soorten
mensapen vergelijkt. Binnen de soort zijn de verschillen verwaarloosbaar.
Een ander 'bewijs' voor de spermacompetitie is
dat mannen meer spermatozoïden ejaculeren naarmate het langer geleden is dat ze
met een bepaalde vrouw hebben gevrijd. Hoe langer de scheiding, hoe meer sperma.
Voortplantingsgerichte, teleologische verklaring: "het aantal geloosde spermatozoïden
neemt toe als er sperma van een andere man in de reproductieve kanalen van de
vrouw kan zitten als gevolg van de gelegenheid tot buitenechtelijke seks door
de tijdelijke scheiding van het koppel". "Mannen lijken juist genoeg
sperma in te brengen om de spermatozoïden in de vrouw die gestorven zijn sinds
hun laatste seksuele episode te vervangen, waardoor ze in de vrouw een bepaald
niveau aanhouden om de populatie van zijn spermatozoïden in haar relatief constant
te houden. Het feit dat mannen een fysiologisch mechanisme bezitten dat het aantal
spermatozoïden verhoogt als hun vrouwen kansen op ontrouw hebben gehad, wijst
op een evolutionaire geschiedenis waarin mensen tenminste een deel van de tijd
buitenechtelijke relaties hebben gehad". Verklaring en verwoording kunnen
eenvoudiger. Hoe langer het geleden is dat je seks hebt gehad met een (bepaalde)
aantrekkelijke vrouw, hoe groter de opwinding en hoe meer sperma. Tenminste, als
je voordien niet te veel geëjaculeerd hebt, anders kan de spermaproductie het
ritme niet volgen en daalt de concentratie van zaadcellen.
De spermacompetitie "suggereert een lange
evolutionaire geschiedenis waarin vrouwen regelmatig paarden met meer dan een
man in de loop van een week". "De relatief grote teelballen van de man
zijn een stevig bewijsstuk" (sic) "dat in de evolutionaire geschiedenis
van de mens vrouwen soms seks hadden met meer dan een man in een tijdspanne van
enkele dagen. Het is niet waarschijnlijk dat deze grootte van teelballen zich
ontwikkeld heeft zonder spermacompetitie". De krachtigste spermatozoïden
in de spermasoep halen het. Als je het mij vraagt, hebben ze iets te vaak de openingsscène
van Woody Allens Everything you always wanted to know about sex, but were afraid to ask
gezien, met gehelmde en slagvaardige spermatozoïden die koers zetten richting
eicel.
Nelissen vindt die soldaatcellen best boeiend,
maar wijst er op dat nog niets bewezen is. Marc Dhont, hoogleraar vrouwenziekten
en voortplantingsgeneeskunde, schreef me dat "de sociale organisatie van
zaadcellen zoals bij mieren of bijen, met werkers, soldaten en bevruchters, science-fiction"
is. Wel bestaat er "een passieve competitie tussen zaadcellen van verschillende
partners. De partner met de meeste zaadcellen, gedeponeerd op het meest vruchtbare
ogenblik van de vrouw, heeft de grootste kans om als overwinnaar uit het duel
te komen. Dat er ook twee overwinnaars kunnen zijn, wordt geïllustreerd door een
paar historische voorbeelden van tweelingen met verschillende biologische vaders
(met als meest frappante geval de blanke en zwarte tweeling)".
Een mooie dood
Dat mannen gemiddeld jonger sterven dan vrouwen,
heeft ook al met voortplanting te maken. Mannen zijn competitiever, willen zoveel
mogelijk vrouwen neuken, maximaal genen verspreiden. Dat is evolutionair-genetisch
bepaald. Neveneffect van deze genen is evenwel dat ze het leven bekorten. "Genen
die vroeg succes in partnercompetitie bevorderen zullen bij mannen meer geselecteerd
worden dan bij vrouwen, ten koste van genen die latere overleving bevorderen".
En nog: "het lijkt waarschijnlijk dat mannen vroeger sterven dan vrouwen
omdat ze in het verleden genoten hebben van een potentieel hoger reproductief
succes, en dit heeft kenmerken geselecteerd die positief geassocieerd zijn met
hoog reproductief succes maar ten koste van afgenomen overleving"; "kortom,
mannen zijn geprogrammeerd om vroeger te sterven". Hoe dit evolutionair verklaard
kan worden, blijft onduidelijk, en ze tonen ook niet aan dat de veronderstelde
genen inderdaad het leven bekorten.
Alweer zijn er eenvoudiger verklaringen. Er sterven
verhoudingsgewijs meer mannelijke dan vrouwelijke baby's. Mannen hebben ook maar
één X-chromosoom, vrouwen twee. Genetische fouten op dat chromosoom kunnen bij
vrouwen gecompenseerd worden door het tweede X-chromosoom, bij mannen niet. Vandaar
enkele erfelijke handicaps en ziekten eigen aan de man. Mannen leven ook vaak
risicovoller dan vrouwen: stoer gedrag, roekeloosheid, gevaarlijke beroepen (jacht!),
ongezonde levenswijze, agressie en geweldpleging, oorlog.
De grootmoederhypothese mag ik u niet onthouden.
De menopauze zou "ontstaan zijn als een middel om directe reproductie te
stoppen en te investeren in kinderen en vervolgens kleinkinderen". Of onze
verre voorouders, die bijlange niet zo oud werden als wij, al een menopauze kenden,
mag sterk betwijfeld worden. Verwonderlijk is ook dat mannen geen even drastische
penopauze kennen. Maar een beetje evolutionair-psycholoog laat zich niet van slag
brengen: het "grootouderschap was een terugkerend kenmerk van de menselijke
evolutionaire geschiedenis, zodat zich specifieke psychologische mechanismen moeten
hebben ontwikkeld".
Het universele verschijnsel oorlog zien ze (terecht)
als een groot obstakel voor hun paradigma. De evolutie kan geen psychisch mechanisme
uitgeselecteerd hebben dat mensen aan zo'n grote gevaren blootstelt. De baten
moeten dus op een of andere manier tegen de kosten opwegen. Bijvoorbeeld een grote
reproductieve winst; oorlog moet gepaard gaan met veel bevruchtingen. En zie,
in oorlogstijd wordt er veel verkracht. Dat dat niet altijd gebeurt, dat veel
verkrachte vrouwen afgemaakt worden, dat het meestal de uitgesproken bedoeling
is de mannelijke vijand te vernederen - het maakt de evolutionair-psychologen
allemaal niets uit. Ze becijferen ook niet of de oorlogvoerenden (aan beide kanten!)
meer nakomelingen dan slachtoffers maken. Om u een idee te geven: in de tweede
wereldoorlog kwamen naar schatting 55 miljoen mensen om. Moet kunnen! Oorlog,
besluiten ze, is geen cultureel verschijnsel, maar zit ons in de genen.
Ook xenofobie is in een handomdraai verklaard.
Vreemdelingen proberen ons sinds de oertijd te beroven van ons voortplantingspotentieel.
Vreemdelingenhaat is een psychisch mechanisme om dat te voorkomen. Misschien beeld
ik het me in, maar lijkt dit niet verdacht veel op de racistische stelling dat
vreemdelingen op onze vrouwen azen?
Een kind kan de was doen
Soms dacht ik verzeild te zijn in een cursus open
deuren intrappen. Enkele voorbeelden: als iemands status stijgt kan hij aan zelfzekerheid
winnen; vrouwen die een relatiezoekertje plaatsen krijgen meer antwoorden dan
mannen; in bedreigende omstandigheden neemt de groepscohesie toe, worden groepsleden
extra bevoordeligd en buitenstaanders meer gewantrouwd. Geen enkele verwijzing
naar het vele onderzoek dat hiernaar reeds is gebeurd. Evolutionair-psychologen
zijn specialisten in het heruitvinden van het warm water. Gemeenplaatsen worden
voorgesteld als ontdekkingen dankzij de "evolutionaire logica": koorts
moet niet bestreden worden maar is een natuurlijk verdedigingsmechanisme tegen
ziekte; pijn is een waarschuwingssignaal dat niet onderdrukt moet worden; het
is "de functie van lust om geslachtsverkeer te motiveren"; "ijverige
en ambitieuze mannen bereiken een hogere beroepsstatus dan luie, ongemotiveerde
mannen" (was dat maar altijd waar).
Het doet sterk aan pseudo-wetenschap denken. Zoveel
mogelijk uit de hoek zoeken om hypothesen te staven, laten vallen wat er niet
mee in overeenstemming is. Ze doen er ook alles aan om de schijn van wetenschappelijkheid
op te houden. Geleerd verwoorde en gepresenteerde platitudes die iedereen die
er even rustig voor gaat zitten kan bedenken, overladen met overbodige bronverwijzingen
("Beeld je in dat je gaat kamperen - Orions & Heerwagen, 1992)"
en een dikdoenerige bibliografie.
Dat deze totaalverklaring velen aanspreekt, vooral
jongeren, ligt ten dele aan haar eenvoud. Eens je de simpele basisprincipes onder
de knie hebt, kun je zelf aan de slag. Met slechts twee principes en een beetje
fantasie het grootste deel van menselijk en dierlijk gedrag kunnen 'verklaren'
- het is voorwaar niet niks. Ook de klemtoon op paarvorming en als voortplanting
verhulde seks moet sommigen over de streep halen. Evolutionair-psychologen hebben
het ook over 'opwindende hypothesen'. Een onderzoekje met sperma dat inzichten
zou hebben opgeleverd over de paarpsychologie van vrouwen, geldt als bewijs dat
deze nieuwe 'wetenschap' geen "steriele onderneming is maar een krachtig
en innoverend veld waarin bijna dagelijks fascinerende nieuwe ontdekkingen worden
gedaan".
Dat hooggeleerden zich aan deze theorietjes vergapen,
hoeft niet te verwonderen. De meeste totaalverklaringen werden en worden bedacht
en verspreid door wetenschappers en machthebbers die - met de woorden van Nelissen
- verliefd zijn op het "nieuwe Grote Verhaal" en zichzelf zien als "voertuigen
voor de verspreiding" ervan.
Het zogenaamde nut van deze 'wetenschap' hangt
hiermee samen. Kennis van psychische mechanismen "en de omgevingsinput die
de activatie op gang brengt, geeft ons een enorme macht om ons sociaal gedrag
te wijzigen". Neem de bij mannen lage "drempel om een seksuele intentie
te veronderstellen". Als een vrouw naar een man glimlacht "zijn mannelijke
waarnemers lichter geneigd daaruit af te leiden dat de vrouw seksueel geïnteresseerd
is". Eens je dit weet, kan je er iets aan doen. Mannen opvoeden met het besef
dat hun seksuele interpretatie fout is, zodanig dat "de hoeveelheid ongewenste
seksuele toenaderingen tot vrouwen afneemt" (Buss).
Maar de seksuele interpretatie van mannen kan evengoed
evolutionair bepaald zijn. Tenslotte glimlachen vrouwen werelwijd naar mannen.
En de mogelijke reproductieve waarde springt in het oog. "Een sensueel signaal
kan bijvoorbeeld bestaan uit een eenvoudige glimlach. Men glimlacht immers nooit
zomaar naar een vreemde, er zit altijd een bedoeling achter" (Nelissen).
Dat vrouwen dat niet meer beseffen, komt door de cultuur die de vrouwelijke seksualiteit
eeuwenlang heeft onderdrukt.
"Als men weet wat de biologische wortels van
racisme zijn - of van oorlog of van verkrachting - kan men zich tegen deze uitwassen
wapenen..." Een macho die weet dat hij slechts de speelbal is van genen die
uit de oertijd stammen, zal het versieren wel laten. Misschien, vervolgt Nelissen,
"werkt het systeem van Freud wel"; eens je de oorsprong van problemen
kent, zijn ze al half opgelost. Hoop doet leven.
Post Scriptum
In dit artikel heb ik bij wijze van experiment
drie psychische mechanismen van eigen makelij verwerkt. Benieuwd of wie niet thuis
is in de evolutionaire psychologie ze van de 'echte' kan onderscheiden.
Noten
[1]. De aanhangers hebben het doorgaans over evolutiepsychologie,
maar dat is een verwarrende term. Het gaat om de psyche als product van evolutie
door natuurlijke selectie, niet om de psychische ontwikkeling van bijvoorbeeld
kind tot volwassene.
[2]. Buss, David M. - Evolutionary Psychology. The New Science of the Mind, Boston/London,
Allyn and Bacon, 1999; Nelissen, Mark - De bril van Darwin. Op zoek naar de wortels van ons gedrag, Tielt,
Lannoo, 2000. Het anti-boek van Rose & Rose, Alas, poor Darwin, zal ik in de Financieel
Economische Tijd bespreken.
[3]. Evolutionair-psychologen hebben het over psychologische i.p.v. psychische mechanismen. 'Psychologisch'
wordt tegenwoordig als synoniem gebruikt voor 'psychisch', strikt genomen is de
psychologie de wetenschap die de psyche bestudeert.
[4]. Aldus professor W. Decleir, rector van het RUCA,
fysioloog-biochemicus van opleiding en fervent aanhanger van de evolutionaire
psychologie ('Hoe vrij zijn wij? Zoektocht naar een biologische basis' in, Antenne,
december 2000, p. 19-24).
Verschenen
in Yang, 01, 2001, pp. 7-23; en in Mores, mei-juni 2001, pp. 215-230;
ingekort in Skepter, juni 2001, pp. 28-32.