Hilberg (°1926) had als jonge Oostenrijkse jood een en ander
aan den lijve ondervonden. In 1939, het jaar na de aanhechting van Oostenrijk
door nazi-Duitsland (de Anschluss),
vluchtte het gezin waarin hij opgroeide naar de Verenigde Staten. Zesentwintig
minder fortuinlijke familieleden zouden tijdens de oorlog omgebracht worden. In
1944 keerde Hilberg terug naar Europa, in Amerikaans legeruniform. Na de bevrijding
nam hij als getuige van het VS-departement van justitie deel aan een van de processen
tegen Duitse oorlogsmisdadigers.
Terug in de VS, ging Hilberg politieke wetenschappen
studeren. In 1955 promoveerde hij op een onderzoek over de jodenmoord. Drie jaar
later was zijn boek af, de eerste wetenschappelijke poging om de vraag te beantwoorden
hoe een hoogbeschaafde natie als de Duitse, de vele door de beschaving ingebouwde
barrières tegen vervolging en uitroeiing van Anderen had kunnen omzeilen.
Een onderzoek naar oorzaken dus, naar daders en
hun machtsmiddelen, met relatief weinig aandacht voor de slachtoffers. Geen boek
over joden maar over diegenen die hen vernietigden. Hilberg beantwoordt 'technische'
vragen als, welke administratieve en psychische determinanten maakten de uitroeiing
van meer dan vijf miljoen mensen mogelijk? Geschiedkundig en politicologisch gezien
is dat geen ongebruikelijke, misschien wel een noodzakelijke invalshoek, maar
gezien de persoonlijke betrokkenheid van Hilberg toch niet meteen vanzelfsprekend.
Ook voor de buitenwereld niet, Hilberg vond niet
makkelijk een uitgever, vooral omdat Yad Vashem (het Israëlische herdenking- en
onderzoekcentrum voor de judeocide) weigerde zijn boek te steunen omdat het volgens
hen te kritisch was voor de slachtoffers. De tijd was niet rijp - is nog steeds
niet rijp - voor een afstandelijke benadering, vanuit het perspectief van de daders.
Hilbergs meesterwerk is overigens nog altijd niet in het Hebreeuws verschenen.
Ontmenselijking
Het destruction
of vernietiging in Hilbergs titel omvat
meer dan het gebruikelijke uitroeiing.
Die laatste term reserveert Hilberg voor de terminale fase van een veel langduriger
vernietigingsproces. Dat proces verliep volgens een bepaald schema: definiëring
(wie is jood, halfjood, zigeuner?); onteigening (van goederen, beroep, rechten,
vrijheid, gouden tanden, haar); concentratie en isolering (segregatiewetgeving,
getto's, kampen) en tot slot van dit ontmenselijkingproces, uitroeiing.
Die fasen waren niet chronologisch afgelijnd maar
liepen door elkaar. Het schematisch verloop betekent ook niet dat het om een demonisch,
op voorhand uitgekiend plan ging; het schema is een construct achteraf, lijkt
alleen retrospectief vanzelfsprekend. In werkelijkheid ging alles geleidelijk,
tentatief in zijn werk. Genomen maatregelen werkten verdergaande stappen in de
hand, maakten ze denkbaar en mogelijk. Wat ook weer niet betekent dat de daders
willoze instrumenten waren. Ze gaven zich wel degelijk rekenschap van het discriminerend
en repressief karakter van de anti-joodse maatregelen die ze uitvoerden of bedachten,
maar ze kenden de uitkomst van het vernietigingsproces niet (die was ook voor
hen lange tijd ondenkbaar), beseften niet eens dat het om een proces ging.
De destructie of vernietiging van joden (en zigeuners)
was niet het werk van enkele psychopathische of immorele individuen, maar van
een hele maatschappij. De vier bureaucratieën van het Duits administratief apparaat
- ministeries, leger, bedrijfsleven, partij - werkten voorbeeldig samen. Elke
deportatie vereiste tal van administratieve maatregelen. Er moest onder meer gezorgd
worden voor een trein, een machinist, een uurregeling, bewakers, bevoorrading,
financiering (groepstarief!)... En eens het konvooi vertrokken, begon het echte
werk: regelen van onbetaalde rekeningen van de weggevoerden; juridisch funderen
van de inbeslagname van hun onroerend goed; legaliseren van de stopzetting van
pensioenuitkeringen (officieel waren ze niet dood). En al die tijd leverden ministeries,
politiediensten en andere administraties onderling strijd voor de verdeling van
kosten en buit.
Methodisch
Alles en iedereen was bij de vernietigingsmachine
betrokken, ze viel samen met de Duitse samenleving. De daders vormden een dwarsdoorsnede
van de bevolking. Op elke trede van de hiërarchie pasten gewone mensen, ambtenaren,
normale procedures toe op een uitzonderlijke situatie. Dienstklopperij, de behoefte
zich een goed nazi te tonen of 'gewoon' de zorg degelijk werk af te leveren -
dat alles bracht een reeks spitsvondige maatregelen voort om de slachtoffers (nog
beter) te vernietigen. Hilberg doet het technisch en psychisch proces, vernietigingsmachine
en bijbehorende mentaliteit, methodisch uit de doeken.
Het welslagen van het vernietigingsproces hing
ook af van de reacties van de slachtoffers. De meeste joden (en zigeuners) bedachten
geen strijdbare strategieën maar vielen terug op ingeroeste gedragspatronen: de
dreiging verkleinen of neutraliseren door argumentatie; de vervolgers gunstig
stemmen door anticiperende onderwerping, meegaandheid en medewerking; zich onmisbaar
maken door hard voor ze te werken. Kortom, de reactivering van gedragspatronen
waardoor diasporajoden eeuwenlang discriminatie en vervolging hadden kunnen overleven
- dit keer met catastrofale gevolgen.
Hilberg oordeelt streng maar veroordeelt niet.
Hij maakt duidelijk dat de slachtoffers geen schijn van kans hadden. De paar joodse
opstanden bespreekt hij vanuit een soort verwondering, na aangetoond te hebben
hoe hopeloos elk verzet leek en in feite was. Het vernietigingsproces verliep
geleidelijk en onvoorspelbaar; de terreur en machteloosheid werkten verlammend;
velen overtuigden er zichzelf van dat de storm wel luwen zou, stelden vlucht en
verzet uit tot het te laat was. En al die tijd keken de omstanders toe; joden
en zigeuners werden massaal aan hun lot overgelaten. Hilberg sluit de (voorlopig)
laatste editie van zijn levenswerk af met een beschrijving van de recente genocide
op de Tutsi's in Ruanda en het eens te meer passief toekijken van de hele beschaafde
wereld.
Raul Hilberg - The Destruction of the European Jews, Yale University Press, 2003,
1440 blz, $ 150 - ISBN 0 300 09557 0
De Franse editie (Fayard, 1988) is veel minder
duur (69 euro) maar gebaseerd op de voorlaatste versie.
Deze bijdrage verscheen in
de reeks 'De klassieker' in De Tijd
van 28 februari 2004.